Vocabulaireverzameling Basis 1 in Dag 26 - Rekeningbalans en kinderlijke piëteit: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Basis 1' in 'Dag 26 - Rekeningbalans en kinderlijke piëteit' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) nalatig, in gebreke;
(noun) delinquent, overtreder
Voorbeeld:
(adjective) achterstallig, over tijd, nodig
Voorbeeld:
(adverb) helaas, jammer genoeg
Voorbeeld:
(noun) evenwicht, balans, saldo;
(verb) balanceren, in evenwicht houden, afwegen
Voorbeeld:
(noun) storting, deposito, aanbetaling;
(verb) deponeren, neerleggen, afzetten
Voorbeeld:
(noun) onderzoek, speurwerk, nasporing
Voorbeeld:
(noun) verslag, beschrijving, rekening;
(verb) beschouwen, verklaren
Voorbeeld:
(noun) verklaring, uitspraak, afschrift
Voorbeeld:
(noun) hoeveelheid, bedrag;
(verb) bedragen, neerkomen op
Voorbeeld:
(noun) terugtrekking, intrekking, opname
Voorbeeld:
(adverb) eerder, voorheen
Voorbeeld:
(adjective) verwacht, verschuldigd, te betalen;
(adverb) rechtstreeks, precies;
(noun) contributie, kosten
Voorbeeld:
(verb) ontvangen, krijgen, oplopen
Voorbeeld:
(verb) verwachten, eisen
Voorbeeld:
(noun) certificaat, akte, diploma;
(verb) certificeren, bekrachtigen
Voorbeeld:
(noun) document, akte;
(verb) documenteren, vastleggen
Voorbeeld:
(noun) uitgaven, besteding;
(verb) uitgeven, doorbrengen
Voorbeeld:
(adverb) succesvol, met succes
Voorbeeld:
(noun) rekening, factuur, wetsvoorstel;
(verb) factureren, rekening sturen, aankondigen
Voorbeeld:
(noun) plezier, genoegen;
(verb) plezieren, behagen
Voorbeeld:
(noun) studie, leren, werkkamer;
(verb) studeren, leren, bestuderen
Voorbeeld:
(noun) samenvatting, resumé
Voorbeeld:
(adjective) tijdelijk, voorlopig
Voorbeeld:
(verb) verlagen, neerlaten, verminderen;
(adjective) lager, minder hoog
Voorbeeld:
(noun) transactie, zakelijke deal, afhandeling
Voorbeeld:
(adjective) dubbel, tweevoudig, twee keer zoveel;
(verb) verdubbelen;
(adverb) dubbel, twee keer zoveel;
(noun) dubbele, tweehonkslag
Voorbeeld:
(noun) identificatie, herkenning, identiteitsbewijs
Voorbeeld:
(noun) ontevredenheid, misnoegen
Voorbeeld:
(idiom) gemeen, gemeenschappelijk
Voorbeeld:
(noun) interesse, aandacht, rente;
(verb) interesseren, boeien
Voorbeeld:
(verb) afwijzen, verwerpen, verstoten;
(noun) afgekeurd product, afgewezen persoon, uitschot
Voorbeeld:
(noun) relatie, verband, familielid
Voorbeeld:
(adverb) voorlopig, vooralsnog, aarzelend
Voorbeeld:
(adverb) alternatief, anders
Voorbeeld:
(adjective) aandachtig, oplettend, attent
Voorbeeld:
(verb) omzetten, verbouwen, converteren;
(noun) bekeerling, overtuigde
Voorbeeld:
(adverb) hevig, sterk, zwaar
Voorbeeld:
(noun) lening, krediet;
(verb) lenen, uitlenen
Voorbeeld:
(adjective) onverwacht, verrassend
Voorbeeld:
(noun) contant geld, cash;
(verb) innen, contant maken
Voorbeeld:
(noun) hypotheek;
(verb) verhypothekeren
Voorbeeld:
(adjective) betaalbaar, verschuldigd
Voorbeeld:
(adjective) persoonlijk, privé, eigenhandig
Voorbeeld: