Vocabulaireverzameling 800 punten in Dag 18 - Speciale gerechten: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling '800 punten' in 'Dag 18 - Speciale gerechten' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(phrase) een glas
Voorbeeld:
(noun) voorgerecht, aperitief
Voorbeeld:
(noun) fles;
(verb) in flessen doen, bottelen, opgeven
Voorbeeld:
(verb) hakken, snijden, slaan;
(noun) slag, hak, kotelet
Voorbeeld:
(noun) aanrecht, aanrechtblad
Voorbeeld:
(noun) eter, gast, eetgelegenheid
Voorbeeld:
(noun) eetruimte, eethoek
Voorbeeld:
(plural noun) eetbenodigdheden, tafelgerei
Voorbeeld:
(phrasal verb) afstoffen, weer tevoorschijn halen
Voorbeeld:
(noun) voedselleverancier
Voorbeeld:
(noun) glazuur, roomlaag
Voorbeeld:
(noun) diepvriesproduct, diepvriesvoeding
Voorbeeld:
(phrasal verb) verzamelen, bijeenrapen, optrekken
Voorbeeld:
(phrase) het eten klaarmaken, het eten bereiden
Voorbeeld:
(noun) graan, korrel, greintje;
(verb) granuleren, kristalliseren
Voorbeeld:
(noun) grill, barbecue, grillrestaurant;
(verb) grillen, barbecueën, ondervragen
Voorbeeld:
(adjective) vlagen, onstuimig, vlagerig
Voorbeeld:
(phrase) een licht diner nemen, licht dineren
Voorbeeld:
(phrase) een maaltijd nuttigen, eten
Voorbeeld:
(noun) ketel, waterkoker
Voorbeeld:
(noun) keukenapparaat
Voorbeeld:
(noun) gevonden voorwerpen, afdeling gevonden voorwerpen
Voorbeeld:
(phrase) een maaltijd bestellen
Voorbeeld:
(noun) patio, terras
Voorbeeld:
(noun) beschermheer, mecenas, begunstiger
Voorbeeld:
(phrasal verb) eraf trekken, loslaten, afbuigen
Voorbeeld:
(noun) pannenlap
Voorbeeld:
(verb) stromen, gieten, schenken;
(noun) stroom, regenval
Voorbeeld:
(noun) portie, bediening, serveren;
(verb) serveren, opdienen, dienen
Voorbeeld:
(phrase) de tafel dekken
Voorbeeld:
(noun) snackshop, kantine
Voorbeeld:
(noun) specialiteit, vakgebied, streekproduct
Voorbeeld:
(verb) bederven, verpesten, verwennen;
(noun) buit, roof
Voorbeeld:
(adjective) verhongerend, uitgehongerd
Voorbeeld:
(noun) fornuis, kachel
Voorbeeld:
(noun) tafelkleed
Voorbeeld:
(phrase) een bestelling opnemen
Voorbeeld:
(noun) theepot
Voorbeeld:
(noun) rechtszaak, proces, proef;
(verb) testen, uitproberen
Voorbeeld:
(verb) uitpakken, ontrafelen, uitdiepen
Voorbeeld:
(plural noun) waardevolle spullen, kostbaarheden
Voorbeeld:
(phrase) wachten op een tafel
Voorbeeld:
(adverb) aangenaam, prettig
Voorbeeld:
(adjective) verbaasd, verbluft
Voorbeeld:
(noun) concurrentiepositie, concurrentiekracht, competitiviteit
Voorbeeld:
(phrasal verb) uitleggen aan
Voorbeeld:
(noun) organisator, organizer, opbergsysteem
Voorbeeld:
(adverb) geleidelijk, steeds meer
Voorbeeld:
(adjective) erkend, erkende, herkend;
(past participle) erkend, herkend
Voorbeeld:
(verb) verwijzen naar, aanduiden, doorverwijzen
Voorbeeld:
(adverb) ogenschijnlijk, schijnbaar
Voorbeeld:
(adverb) dik, dicht, sterk
Voorbeeld:
(noun) accommodatie, onderdak, verblijf
Voorbeeld:
(noun) boeking, reservering, registratie
Voorbeeld:
(verb) brouwen, zetten, broeien;
(noun) brouwsel, thee, koffie
Voorbeeld:
(noun) cateraar
Voorbeeld:
(noun) cateringservice, traiteur
Voorbeeld:
(phrasal verb) opeten, alles opmaken, opsouperen
Voorbeeld:
(adverb) voorzichtig, zachtjes, geleidelijk
Voorbeeld:
(noun) overnachting
Voorbeeld:
(noun) parkeervoorziening, parkeergelegenheid
Voorbeeld:
(noun) poetsmiddel, glansmiddel;
(verb) poetsen, polijsten, verbeteren;
(adjective) Pools
Voorbeeld:
(verb) knijpen, persen, wringen;
(noun) knijp, druk, knel
Voorbeeld:
(noun) suite, appartement, set
Voorbeeld:
(noun) gereedschap, werktuig, gerei
Voorbeeld:
(noun) vegetariër;
(adjective) vegetarisch
Voorbeeld:
(noun) azijn
Voorbeeld:
(noun) wekkeroproep, wekservice, wake-up call
Voorbeeld: