Vocabulaireverzameling Basis 1 in Dag 2 - Kledingvoorschriften: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Basis 1' in 'Dag 2 - Kledingvoorschriften' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) kleding, kledij;
(verb) kleden, aankleden
Voorbeeld:
(noun) code, geheimschrift, reglement;
(verb) coderen, versleutelen, programmeren
Voorbeeld:
(noun) zorg, aangelegenheid, bedrijf;
(verb) betreffen, aangaan, zorgen baren
Voorbeeld:
(noun) beleid, richtlijn, polis
Voorbeeld:
(verb) voldoen aan, gehoorzamen
Voorbeeld:
(noun) regelgeving, voorschrift, reglement
Voorbeeld:
(noun) uitzondering
Voorbeeld:
(verb) hechten, kleven, zich houden aan
Voorbeeld:
(adverb) ernstig, hevig, streng
Voorbeeld:
(verb) zich onthouden van, afzien van;
(noun) refrein, koor
Voorbeeld:
(noun) toestemming, vergunning
Voorbeeld:
(noun) toegang, ingang, gebruiksmogelijkheid;
(verb) toegang krijgen tot, openen, betreden
Voorbeeld:
(adverb) grondig, nauwkeurig, volledig
Voorbeeld:
(verb) herzien, reviseren, aanpassen
Voorbeeld:
(verb) naderen, aankomen, benaderen;
(noun) aanpak, benadering, nadering
Voorbeeld:
(noun) goedkeuring, instemming, toestemming
Voorbeeld:
(noun) vorm, soort, formulier;
(verb) vormen, creëren, ontstaan
Voorbeeld:
(adverb) onmiddellijk, direct, meteen
Voorbeeld:
(noun) inspectie, controle, onderzoek
Voorbeeld:
(noun) regeling, voorbereiding, opstelling
Voorbeeld:
(noun) procedure, werkwijze, ingreep
Voorbeeld:
(adjective) negatief, ontkennend, schadelijk;
(noun) negatief, ontkenning
Voorbeeld:
(noun) mandaat, opdracht;
(verb) mandaat geven, opdragen
Voorbeeld:
(noun) effect, gevolg, indruk;
(verb) teweegbrengen, uitvoeren
Voorbeeld:
(adverb) drastisch, ingrijpend, sterk
Voorbeeld:
(preposition) volgens
Voorbeeld:
(verb) inschakelen, mogelijk maken
Voorbeeld:
(noun) standaard, niveau, vaandel;
(adjective) standaard, normaal
Voorbeeld:
(adjective) constant, voortdurend, onveranderlijk;
(noun) constante
Voorbeeld:
(verb) handelen, doen, acteren;
(noun) daad, handeling, wet
Voorbeeld:
(noun) compensatie, schadevergoeding, salaris
Voorbeeld:
(verb) verbieden, uitbannen;
(noun) verbod, ban
Voorbeeld:
(noun) verplichting, plicht, gebondenheid
Voorbeeld:
(verb) autoriseren, toestemming geven
Voorbeeld:
(verb) verbieden, verhinderen
Voorbeeld:
(verb) afschaffen, opheffen
Voorbeeld:
(verb) handhaven, afdwingen
Voorbeeld:
(noun) gewoonte, gebruik, habijt;
(verb) kleden, aankleden
Voorbeeld:
(noun) wetgeving, wetgevingsproces
Voorbeeld:
(verb) beperken, inperken, begrenzen
Voorbeeld: