Vocabulaireverzameling Succes en mislukking in Essentiële woordenschat voor TOEFL: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Succes en mislukking' in 'Essentiële woordenschat voor TOEFL' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) doel, objectief;
(adjective) objectief, onpartijdig
Voorbeeld:
(noun) poging, proef;
(verb) proberen, ondernemen
Voorbeeld:
(noun) doorbraak
Voorbeeld:
(verb) bereiken, volbrengen
Voorbeeld:
(verb) vervullen, realiseren, nakomen
Voorbeeld:
(noun) slag, gevecht, strijd;
(verb) vechten, strijden
Voorbeeld:
(verb) verlaten, achterlaten, opgeven;
(noun) overgave, onbezonnenheid
Voorbeeld:
(adjective) ideaal, perfect, imaginair;
(noun) ideaal, voorbeeld
Voorbeeld:
(verb) oprichten, vestigen, vaststellen
Voorbeeld:
(adverb) agressief, aanvallend, vastberaden
Voorbeeld:
(noun) vooruitgang, opmars, voorschot;
(verb) vooruitgaan, vorderen, voorschieten;
(adjective) vooraf, voorlopig
Voorbeeld:
(verb) omgaan met, het hoofd bieden aan;
(noun) koorkap, kazuifel
Voorbeeld:
(verb) investeren, besteden
Voorbeeld:
(verb) bereiken, verkrijgen, halen
Voorbeeld:
(adjective) productief, vruchtbaar, rendabel
Voorbeeld:
(verb) zich realiseren, beseffen, realiseren
Voorbeeld:
(verb) streven, zich inspannen, strijden
Voorbeeld:
(verb) floreren, gedijen, groeien
Voorbeeld:
(noun) vooruitgang, progressie;
(verb) vorderen, vooruitgaan
Voorbeeld:
(verb) achtervolgen, najagen, nastreven
Voorbeeld:
(adjective) ambitieus, eerzuchtig, uitdagend
Voorbeeld:
(adjective) desperaat, hopeloos, wanhopig
Voorbeeld:
(noun) falen, mislukking, nalatigheid
Voorbeeld:
(noun) overwinning, zege
Voorbeeld:
(verb) rijzen, stijgen, opgaan;
(noun) stijging, opkomst, verhoging
Voorbeeld:
(verb) verslaan, overwinnen, dwarsbomen;
(noun) nederlaag, overwinning
Voorbeeld:
(adjective) hopeloos, wanhopig, onhandig
Voorbeeld:
(noun) verlies, tekort
Voorbeeld:
(adjective) rampzalig, desastreus
Voorbeeld:
(verb) worstelen, zich verzetten, zich inspannen;
(noun) worsteling, strijd, moeite
Voorbeeld:
(verb) overwinnen, overkomen, overmand worden door;
(adjective) overmand, uitgeput
Voorbeeld:
(verb) gedijen, floreren, bloeien
Voorbeeld:
(noun) obstakel, hindernis, barrière
Voorbeeld:
(adjective) veelbelovend, veel goeds voorspellend
Voorbeeld:
(phrasal verb) teleurstellen, in de steek laten, laten zakken
Voorbeeld:
(verb) floreren, gedijen, zwaaien;
(noun) zwaai, gebaar, fanfare
Voorbeeld:
(verb) vallen, dalen, afnemen;
(noun) val, daling, herfst
Voorbeeld:
(noun) dreun, knal, boom;
(verb) dreunen, galmen, bloeien;
(adjective) bloeiend, groeiend;
(interjection) dreun, knal
Voorbeeld: