Vocabulaireverzameling Werkwoorduitdrukkingen die vaak in examens voorkomen in Belangrijke werkwoorduitdrukkingen: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Werkwoorduitdrukkingen die vaak in examens voorkomen' in 'Belangrijke werkwoorduitdrukkingen' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(phrasal verb) van zich afschudden, negeren
Voorbeeld:
(phrasal verb) overwaaien, voorbijgaan
Voorbeeld:
(phrasal verb) opdagen, verschijnen, harder zetten
Voorbeeld:
(phrasal verb) aanpakken, omgaan met, zaken doen met
Voorbeeld:
(phrasal verb) geloven in, vertrouwen op
Voorbeeld:
(phrasal verb) doornemen, nakijken, aanslaan
Voorbeeld:
(phrasal verb) uit elkaar gaan, een relatie beëindigen, uiteenvallen
Voorbeeld:
(phrasal verb) aantrekken, opzetten, aanzetten
Voorbeeld:
(phrasal verb) binnenkomen, instappen, zich verdiepen in
Voorbeeld:
(phrasal verb) aankomen, binnenkomen, gekozen worden
Voorbeeld:
(phrasal verb) doorgaan met, verdergaan met, goed opschieten met
Voorbeeld:
(phrasal verb) opschieten met, overeenkomen met, opschieten
Voorbeeld:
(phrasal verb) instappen, opstappen, opschieten
Voorbeeld:
(phrasal verb) opschieten, overeenkomen, vooruitgaan
Voorbeeld:
(phrasal verb) opzetten, bouwen, oprichten
Voorbeeld:
(phrasal verb) beginnen met, oppakken, innemen
Voorbeeld:
(phrasal verb) samenwerken met, zich verenigen met
Voorbeeld:
(phrasal verb) afweren, bestrijden
Voorbeeld:
(phrasal verb) vragen om, vragen naar
Voorbeeld:
(phrasal verb) zoeken naar, op zoek zijn naar, verwachten
Voorbeeld:
(phrasal verb) uitstappen, afstappen, vrij krijgen
Voorbeeld:
(phrasal verb) inhalen, bijwerken, bijpraten over
Voorbeeld:
(phrasal verb) bedenken, verzinnen, opleveren
Voorbeeld:
(phrasal verb) vullen, volmaken, vol zitten
Voorbeeld:
(phrasal verb) uitgaan met, verkering hebben met
Voorbeeld:
(phrasal verb) opvoeden, ter sprake brengen, aankaarten
Voorbeeld:
(phrasal verb) opgroeien, volwassen worden, rijpen
Voorbeeld:
(phrasal verb) overlijden, heengaan
Voorbeeld:
(phrasal verb) doorgeven, overdragen, overlijden
Voorbeeld:
(phrasal verb) uitstellen, opschorten, afstoten
Voorbeeld:
(phrasal verb) uitschakelen, uitzetten, afschakelen
Voorbeeld:
(phrasal verb) tegenkomen, ontmoeten, stuiten op
Voorbeeld:
(phrasal verb) versnellen, vaart maken
Voorbeeld:
(phrasal verb) deelnemen aan, zich bezighouden met
Voorbeeld:
(phrasal verb) in slaap vallen, wegdommelen, afzetten
Voorbeeld:
(phrasal verb) stijgen, omhooggaan, verrijzen
Voorbeeld:
(phrasal verb) opzetten, instellen, oprichten
Voorbeeld:
(phrasal verb) uitdoen, verwijderen, afsluiten
Voorbeeld:
(phrasal verb) uitdoen, blussen, tot last zijn
Voorbeeld:
(phrasal verb) uitdoen, afdoen, opstijgen
Voorbeeld:
(phrasal verb) zorgen voor, opletten op
Voorbeeld:
(phrasal verb) goedmaken, compenseren
Voorbeeld:
(phrasal verb) wegdommelen, inslapen
Voorbeeld:
(phrasal verb) ter sprake komen, opkomen, naderen
Voorbeeld:
(phrasal verb) wegblazen, wegwaaien, verbazen
Voorbeeld:
(phrasal verb) toekijken, aanschouwen, beschouwen
Voorbeeld:
(phrasal verb) misleiden, voor de gek houden, begrijpen
Voorbeeld:
(phrasal verb) afhaken, stoppen met studie, terugtrekken
Voorbeeld:
(phrasal verb) opbouwen, versterken, ophemelen
Voorbeeld:
(phrasal verb) controleren, nakijken, uitchecken
Voorbeeld:
(phrasal verb) inchecken, aanmelden, contact opnemen
Voorbeeld:
(phrasal verb) inbreken, inlopen, inwerken
Voorbeeld:
(phrasal verb) uitbreken, ontsnappen, ontstaan
Voorbeeld:
(phrasal verb) noteren, opschrijven
Voorbeeld:
(phrasal verb) vertrekken, op weg gaan, veroorzaken
Voorbeeld:
(phrasal verb) krijgen, oplopen
Voorbeeld:
(noun) auditie, selectie
Voorbeeld:
(phrasal verb) teweegbrengen, veroorzaken, leiden tot
Voorbeeld:
(phrasal verb) onderscheiden, verstaan, zoenen
Voorbeeld:
(phrasal verb) uitvinden, ontdekken, erachter komen
Voorbeeld:
(phrasal verb) verminderen, beperken
Voorbeeld:
(phrasal verb) overnemen, de controle overnemen, overheersen
Voorbeeld:
(phrasal verb) weglopen van, ontsnappen aan, overleven
Voorbeeld:
(phrasal verb) langskomen, binnenvallen
Voorbeeld:
(phrasal verb) opzoeken, nazoeken, verbeteren
Voorbeeld:
(phrasal verb) tegenkomen, vinden, overkomen
Voorbeeld:
(phrasal verb) doorkomen, overleven, doorverbonden worden
Voorbeeld:
(adjective) doorzichtig, transparant
Voorbeeld:
(phrasal verb) aannemen, op zich nemen, in dienst nemen
Voorbeeld:
(phrasal verb) aanslaan, populair worden, begrijpen
Voorbeeld:
(phrasal verb) afbreken, afscheuren, ophouden
Voorbeeld:
(phrasal verb) stuiten op, tegenkomen
Voorbeeld:
(phrasal verb) afzetten, afsluiten
Voorbeeld:
(phrasal verb) afgaan, ontploffen, weggaan
Voorbeeld:
(phrasal verb) opbellen, bellen, oproepen voor militaire dienst
Voorbeeld:
(phrasal verb) uitvoeren, verrichten
Voorbeeld:
(phrasal verb) invoeren, introduceren, opleveren
Voorbeeld:
(phrasal verb) afwijzen, weigeren, zachter zetten
Voorbeeld:
(phrasal verb) beginnen, starten, vertrekken
Voorbeeld:
(phrasal verb) toegeven, zwichten, bezwijken
Voorbeeld:
(phrasal verb) inleveren, overhandigen
Voorbeeld:
(phrasal verb) uitwerken, verdwijnen, afnemen
Voorbeeld:
(phrasal verb) opzij zetten, sparen, reserveren
Voorbeeld:
(phrasal verb) binnenvallen, langskomen
Voorbeeld:
(phrasal verb) binnenwippen, even langsgaan
Voorbeeld:
(phrasal verb) uitverkopen, uitverkocht zijn, verraden
Voorbeeld:
(idiom) uitverkocht zijn
Voorbeeld:
(phrasal verb) uitsterven, verdwijnen
Voorbeeld:
(phrasal verb) dateren uit, teruggaan tot
Voorbeeld:
(phrasal verb) afhangen van, rekenen op
Voorbeeld:
(phrasal verb) verdragen, tolereren
Voorbeeld:
(phrasal verb) terugdenken aan
Voorbeeld:
(phrasal verb) tegenspreken, terugpraten
Voorbeeld:
(phrasal verb) bijhouden, bijblijven, op de hoogte blijven van
Voorbeeld:
(phrasal verb) opgeven, stoppen, stoppen met
Voorbeeld:
(phrasal verb) zorgen voor, verzorgen, houden van
Voorbeeld:
(phrasal verb) afgelasten, annuleren, terugroepen
Voorbeeld:
(phrasal verb) opruimen, wegleggen, wegwerken
Voorbeeld:
(phrasal verb) op zijn, geen meer hebben
Voorbeeld:
(phrasal verb) deelnemen aan, meedoen aan
Voorbeeld:
(phrasal verb) onder ogen zien, aanvaarden
Voorbeeld:
(phrasal verb) zich toeleggen op, kiezen voor, houden van
Voorbeeld:
(phrasal verb) herstellen, terugveren, zich herpakken
Voorbeeld:
(phrasal verb) doorverbinden, onderwerpen aan, laten doorstaan
Voorbeeld:
(phrasal verb) langskomen, binnenvallen, dalen
Voorbeeld:
(phrasal verb) langskomen bij, even aanwippen
Voorbeeld:
(phrasal verb) binnenspringen, langskomen
Voorbeeld:
(phrasal verb) neerslaan, omverwerpen, verlagen
Voorbeeld:
(phrasal verb) omstoten, omverwerpen, overvallen
Voorbeeld:
(phrasal verb) bevestigen, ondersteunen
Voorbeeld: