Vocabulaireverzameling Eenheid 5: Vietnamees eten en drinken in Graad 7: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 5: Vietnamees eten en drinken' in 'Graad 7' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) slaan, afranselen, verslaan;
(noun) beat, ritme, slag;
(adjective) uitgeput, moe
Voorbeeld:
(noun) rundvlees, klacht, bezwaar;
(verb) klagen, mopperen
Voorbeeld:
(adjective) bitter, verbitterd, moeilijk
Voorbeeld:
(noun) bouillon, soep
Voorbeeld:
(adjective) heerlijk, lekker, aangenaam
Voorbeeld:
(noun) aal, paling
Voorbeeld:
(noun) bloem, meel;
(verb) bestuiven met bloem, bebloemen
Voorbeeld:
(verb) vouwen, opvouwen, failliet gaan;
(noun) vouw, kudde, groep
Voorbeeld:
(adjective) geurig, welriekend
Voorbeeld:
(noun) groene thee
Voorbeeld:
(noun) ham, radioamateur, zendamateur;
(verb) overacteren, overdrijven
Voorbeeld:
(noun) noedel, mie, hoofd;
(verb) tokkelen, improviseren, handvissen
Voorbeeld:
(noun) omelet
Voorbeeld:
(noun) pannenkoek;
(verb) platdrukken, verpletteren
Voorbeeld:
(noun) peper, paprika, chilipeper;
(verb) peperen, kruiden met peper, bestoken
Voorbeeld:
(noun) varkensvlees
Voorbeeld:
(verb) stromen, gieten, schenken;
(noun) stroom, regenval
Voorbeeld:
(noun) recept, methode
Voorbeeld:
(noun) zout, chemische verbinding;
(verb) zouten, pekelen
Voorbeeld:
(adjective) zout, geïrriteerd, verbitterd
Voorbeeld:
(noun) broodje, sandwich;
(verb) wringen, inklemmen
Voorbeeld:
(noun) saus, brutaliteit, onbeschaamdheid;
(verb) saucen, saus toevoegen, brutaliseren
Voorbeeld:
(noun) worst
Voorbeeld:
(verb) dienen, bedienen, serveren;
(noun) dienst, diensttijd, service
Voorbeeld:
(noun) garnaal, klein persoon;
(verb) garnalen vissen
Voorbeeld:
(noun) plak, schijf, deel;
(verb) snijden, schijven, slicen
Voorbeeld:
(noun) soep
Voorbeeld:
(adjective) zuur, onaangenaam;
(verb) verzuren, zuur worden
Voorbeeld:
(adjective) pittig, gekruid, pikant
Voorbeeld:
(noun) loempia
Voorbeeld:
(adjective) zoet, lief, aangenaam;
(noun) snoepje, lekkernij
Voorbeeld:
(adjective) lekker, smakelijk
Voorbeeld:
(noun) tofu
Voorbeeld:
(noun) tonijn
Voorbeeld:
(noun) kurkuma
Voorbeeld:
(adjective) warm, hartelijk;
(verb) opwarmen, verwarmen;
(adverb) warm, hartelijk
Voorbeeld: