Avatar of Vocabulary Set Eenheid 18: Hoe zal het weer morgen zijn?

Vocabulaireverzameling Eenheid 18: Hoe zal het weer morgen zijn? in Groep 5: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Eenheid 18: Hoe zal het weer morgen zijn?' in 'Groep 5' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

weather

/ˈweð.ɚ/

(noun) weer;

(verb) verweren, aantasten, doorstaan

Voorbeeld:

The weather is beautiful today.
Het weer is prachtig vandaag.

forecast

/ˈfɔːr.kæst/

(noun) voorspelling, prognose;

(verb) voorspellen, prognostiseren

Voorbeeld:

The weather forecast predicts rain for tomorrow.
De weersvoorspelling voorspelt regen voor morgen.

hot

/hɑːt/

(adjective) heet, warm, pittig;

(adverb) heet, warm

Voorbeeld:

Be careful, the plate is very hot.
Wees voorzichtig, het bord is erg heet.

cold

/koʊld/

(adjective) koud, afstandelijk, ongevoelig;

(noun) verkoudheid

Voorbeeld:

It's cold outside, so wear a jacket.
Het is koud buiten, dus draag een jas.

windy

/ˈwɪn.di/

(adjective) winderig, bochtig, kronkelig

Voorbeeld:

It's very windy today, so hold onto your hat.
Het is erg winderig vandaag, dus houd je hoed vast.

sunny

/ˈsʌn.i/

(adjective) zonnig, opgewekt, optimistisch

Voorbeeld:

It was a beautiful sunny day, perfect for a picnic.
Het was een prachtige zonnige dag, perfect voor een picknick.

cloudy

/ˈklaʊ.di/

(adjective) bewolkt, troebel, ondoorzichtig

Voorbeeld:

The sky was cloudy all day, so we couldn't see the sun.
De lucht was de hele dag bewolkt, dus we konden de zon niet zien.

stormy

/ˈstɔːr.mi/

(adjective) stormachtig, onstuimig, gepassioneerd

Voorbeeld:

We had to cancel our picnic due to the stormy weather.
We moesten onze picknick annuleren vanwege het stormachtige weer.

cool

/kuːl/

(adjective) koel, cool, gaaf;

(verb) koelen, afkoelen;

(noun) koelte

Voorbeeld:

The evening air was pleasantly cool.
De avondlucht was aangenaam koel.

rainy

/ˈreɪ.ni/

(adjective) regenachtig

Voorbeeld:

We had a very rainy summer this year.
We hadden dit jaar een erg regenachtige zomer.

warm

/wɔːrm/

(adjective) warm, hartelijk;

(verb) opwarmen, verwarmen;

(adverb) warm, hartelijk

Voorbeeld:

The sun felt warm on my skin.
De zon voelde warm op mijn huid.

snowy

/ˈsnoʊ.i/

(adjective) besneeuwd, sneeuwwit, donszacht

Voorbeeld:

The mountains were beautiful with their snowy peaks.
De bergen waren prachtig met hun besneeuwde toppen.

tomorrow

/təˈmɔːr.oʊ/

(adverb) morgen;

(noun) morgen

Voorbeeld:

I will see you tomorrow.
Ik zie je morgen.

temperature

/ˈtem.pɚ.ə.tʃɚ/

(noun) temperatuur, koorts

Voorbeeld:

The room temperature is 25 degrees Celsius.
De kamertemperatuur is 25 graden Celsius.

popcorn

/ˈpɑːp.kɔːrn/

(noun) popcorn

Voorbeeld:

We bought a large bucket of popcorn at the movie theater.
We kochten een grote emmer popcorn in de bioscoop.

foggy

/ˈfɑː.ɡi/

(adjective) mistig, nevelig, wazig

Voorbeeld:

It was a cold and foggy morning.
Het was een koude en mistige ochtend.

spring

/sprɪŋ/

(noun) lente, voorjaar, veer;

(verb) springen, veren, ontspringen

Voorbeeld:

Flowers bloom beautifully in spring.
Bloemen bloeien prachtig in de lente.

summer

/ˈsʌm.ɚ/

(noun) zomer;

(verb) zomeren

Voorbeeld:

We usually go on vacation in the summer.
We gaan meestal op vakantie in de zomer.

autumn

/ˈɑː.t̬əm/

(noun) herfst

Voorbeeld:

The leaves turn beautiful colors in autumn.
De bladeren krijgen prachtige kleuren in de herfst.

winter

/ˈwɪn.t̬ɚ/

(noun) winter;

(verb) overwinteren

Voorbeeld:

I love to ski in the winter.
Ik hou van skiën in de winter.

plant

/plænt/

(noun) plant, gewas, fabriek;

(verb) planten, zaaien, plaatsen

Voorbeeld:

She watered the plant every morning.
Ze gaf de plant elke ochtend water.

flower

/ˈflaʊ.ɚ/

(noun) bloem;

(verb) bloeien

Voorbeeld:

The garden is full of beautiful flowers.
De tuin staat vol met prachtige bloemen.

north

/nɔːrθ/

(noun) noorden;

(adjective) noordelijk;

(adverb) noordwaarts, ten noorden

Voorbeeld:

The wind is blowing from the north.
De wind waait uit het noorden.

south

/saʊθ/

(noun) zuiden;

(adjective) zuidelijk;

(adverb) zuidwaarts

Voorbeeld:

The birds fly south for the winter.
De vogels vliegen naar het zuiden voor de winter.

month

/mʌnθ/

(noun) maand

Voorbeeld:

There are twelve months in a year.
Er zijn twaalf maanden in een jaar.

dry

/draɪ/

(adjective) droog, dor, dorstig;

(verb) drogen

Voorbeeld:

The clothes are still dry.
De kleren zijn nog steeds droog.

wet

/wet/

(adjective) nat, vochtig, regenachtig;

(verb) natmaken, bevochtigen

Voorbeeld:

My clothes got completely wet in the rain.
Mijn kleren werden helemaal nat in de regen.

wind

/wɪnd/

(noun) wind, adem, lucht;

(verb) winden, kronkelen, opwinden

Voorbeeld:

The wind blew strongly from the west.
De wind waaide krachtig uit het westen.

will

/wɪl/

(modal verb) zullen, willen, van plan zijn;

(noun) wil, wilskracht, testament;

(verb) vermaken, nalaten

Voorbeeld:

I will be there by 5 PM.
Ik zal er om 17.00 uur zijn.

snow

/snoʊ/

(noun) sneeuw;

(verb) sneeuwen

Voorbeeld:

The children were excited to see the first snow of the winter.
De kinderen waren opgewonden om de eerste sneeuw van de winter te zien.

rain

/reɪn/

(noun) regen;

(verb) regenen

Voorbeeld:

The rain started pouring just as we left.
De regen begon te stromen net toen we vertrokken.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland