Vocabulaireverzameling Eenheid 18: Hoe zal het weer morgen zijn? in Groep 5: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 18: Hoe zal het weer morgen zijn?' in 'Groep 5' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) weer;
(verb) verweren, aantasten, doorstaan
Voorbeeld:
(noun) voorspelling, prognose;
(verb) voorspellen, prognostiseren
Voorbeeld:
(adjective) heet, warm, pittig;
(adverb) heet, warm
Voorbeeld:
(adjective) koud, afstandelijk, ongevoelig;
(noun) verkoudheid
Voorbeeld:
(adjective) winderig, bochtig, kronkelig
Voorbeeld:
(adjective) zonnig, opgewekt, optimistisch
Voorbeeld:
(adjective) bewolkt, troebel, ondoorzichtig
Voorbeeld:
(adjective) stormachtig, onstuimig, gepassioneerd
Voorbeeld:
(adjective) koel, cool, gaaf;
(verb) koelen, afkoelen;
(noun) koelte
Voorbeeld:
(adjective) regenachtig
Voorbeeld:
(adjective) warm, hartelijk;
(verb) opwarmen, verwarmen;
(adverb) warm, hartelijk
Voorbeeld:
(adjective) besneeuwd, sneeuwwit, donszacht
Voorbeeld:
(adverb) morgen;
(noun) morgen
Voorbeeld:
(noun) temperatuur, koorts
Voorbeeld:
(noun) popcorn
Voorbeeld:
(adjective) mistig, nevelig, wazig
Voorbeeld:
(noun) lente, voorjaar, veer;
(verb) springen, veren, ontspringen
Voorbeeld:
(noun) zomer;
(verb) zomeren
Voorbeeld:
(noun) herfst
Voorbeeld:
(noun) winter;
(verb) overwinteren
Voorbeeld:
(noun) plant, gewas, fabriek;
(verb) planten, zaaien, plaatsen
Voorbeeld:
(noun) bloem;
(verb) bloeien
Voorbeeld:
(noun) noorden;
(adjective) noordelijk;
(adverb) noordwaarts, ten noorden
Voorbeeld:
(noun) zuiden;
(adjective) zuidelijk;
(adverb) zuidwaarts
Voorbeeld:
(noun) maand
Voorbeeld:
(adjective) droog, dor, dorstig;
(verb) drogen
Voorbeeld:
(adjective) nat, vochtig, regenachtig;
(verb) natmaken, bevochtigen
Voorbeeld:
(noun) wind, adem, lucht;
(verb) winden, kronkelen, opwinden
Voorbeeld:
(modal verb) zullen, willen, van plan zijn;
(noun) wil, wilskracht, testament;
(verb) vermaken, nalaten
Voorbeeld:
(noun) sneeuw;
(verb) sneeuwen
Voorbeeld:
(noun) regen;
(verb) regenen
Voorbeeld: