Avatar of Vocabulary Set A2 - Letter W

Vocabulaireverzameling A2 - Letter W in Oxford 3000 - A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Letter W' in 'Oxford 3000 - A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

wait

/weɪt/

(verb) wachten, klaarstaan;

(noun) wachttijd, wacht

Voorbeeld:

I'll wait for you at the corner.
Ik zal op je wachten op de hoek.

war

/wɔːr/

(noun) oorlog, gewapend conflict, campagne;

(verb) oorlog voeren, strijden

Voorbeeld:

The country has been ravaged by civil war for years.
Het land is al jaren geteisterd door burgeroorlog.

wash

/wɑːʃ/

(verb) wassen, reinigen, wasbaar zijn;

(noun) wasbeurt, wassen, laag

Voorbeeld:

Please wash your hands before dinner.
Gelieve uw handen te wassen voor het avondeten.

washing

/ˈwɑː.ʃɪŋ/

(noun) was, wasbeurt, wasgoed

Voorbeeld:

She spent the morning doing the washing.
Ze bracht de ochtend door met de was.

wave

/weɪv/

(noun) golf, zwaai, gebaar;

(verb) zwaaien, wenken, wapperen

Voorbeeld:

The boat was tossed by the large waves.
De boot werd heen en weer geslingerd door de grote golven.

weak

/wiːk/

(adjective) zwak, ondoeltreffend, breekbaar

Voorbeeld:

After the illness, he felt very weak.
Na de ziekte voelde hij zich erg zwak.

web

/web/

(noun) web, spinnenweb, internet;

(verb) bedekken met een web, verbinden

Voorbeeld:

The spider spun a intricate web between the branches.
De spin spon een ingewikkeld web tussen de takken.

wedding

/ˈwed.ɪŋ/

(noun) bruiloft, huwelijk

Voorbeeld:

They are planning a summer wedding.
Ze plannen een zomerbruiloft.

weight

/weɪt/

(noun) gewicht, last, belang;

(verb) verzwaren, belasten

Voorbeeld:

What is the weight of this package?
Wat is het gewicht van dit pakket?

welcome

/ˈwel.kəm/

(verb) verwelkomen, begroeten;

(exclamation) welkom;

(adjective) welkom, aangenaam;

(noun) welkom, ontvangst

Voorbeeld:

We welcomed the new neighbors to the community.
We verwelkomden de nieuwe buren in de gemeenschap.

wet

/wet/

(adjective) nat, vochtig, regenachtig;

(verb) natmaken, bevochtigen

Voorbeeld:

My clothes got completely wet in the rain.
Mijn kleren werden helemaal nat in de regen.

wheel

/wiːl/

(noun) wiel, stuur, stuurwiel;

(verb) rijden, duwen, cirkelen

Voorbeeld:

The car has four wheels.
De auto heeft vier wielen.

while

/waɪl/

(noun) tijd, poos;

(conjunction) terwijl, gedurende, hoewel;

(verb) verdoen, doorbrengen

Voorbeeld:

I haven't seen her for a while.
Ik heb haar al een tijdje niet gezien.

whole

/hoʊl/

(adjective) heel, geheel, intact;

(noun) geheel, totaliteit;

(adverb) helemaal, volledig

Voorbeeld:

He ate the whole cake by himself.
Hij at de hele taart in zijn eentje op.

whose

/huːz/

(determiner) wiens, waarvan;

(pronoun) wiens

Voorbeeld:

Whose book is this?
Wiens boek is dit?

wide

/waɪd/

(adjective) breed, wijd, uitgebreid;

(adverb) wijd, helemaal

Voorbeeld:

The river is very wide at this point.
De rivier is op dit punt erg breed.

wild

/waɪld/

(adjective) wild, onbeheerst, onbewoond;

(noun) wildernis, natuur;

(adverb) wild, ongecontroleerd

Voorbeeld:

We saw a herd of wild horses galloping across the plains.
We zagen een kudde wilde paarden over de vlaktes galopperen.

wind

/wɪnd/

(noun) wind, adem, lucht;

(verb) winden, kronkelen, opwinden

Voorbeeld:

The wind blew strongly from the west.
De wind waaide krachtig uit het westen.

winner

/ˈwɪn.ɚ/

(noun) winnaar, succes, voltreffer

Voorbeeld:

The horse was the clear winner of the race.
Het paard was de duidelijke winnaar van de race.

wish

/wɪʃ/

(verb) wensen, verlangen;

(noun) wens, verlangen

Voorbeeld:

I wish I could fly.
Ik wens dat ik kon vliegen.

wood

/wʊd/

(noun) hout, bos, woud

Voorbeeld:

The house was built of stone and wood.
Het huis was gebouwd van steen en hout.

wooden

/ˈwʊd.ən/

(adjective) houten, houterig, stijf

Voorbeeld:

The old house had beautiful wooden floors.
Het oude huis had prachtige houten vloeren.

working

/ˈwɝː.kɪŋ/

(adjective) werkend, bezig, in dienst;

(noun) werk, werking

Voorbeeld:

She is working on a new project.
Ze is aan een nieuw project aan het werken.

worried

/ˈwɝː.id/

(adjective) bezorgd, ongerust

Voorbeeld:

She was worried about her son's health.
Ze was bezorgd over de gezondheid van haar zoon.

worry

/ˈwɝː.i/

(verb) zich zorgen maken, verontrusten, lastigvallen;

(noun) zorgen, bezorgdheid

Voorbeeld:

Don't worry about a thing; everything will be fine.
Maak je nergens zorgen over; alles komt goed.

worse

/wɝːs/

(adjective) slechter, erger;

(adverb) slechter, erger;

(noun) het ergste, het slechtere

Voorbeeld:

The weather got worse as the day went on.
Het weer werd slechter naarmate de dag vorderde.

worst

/wɝːst/

(adjective) slechtste;

(adverb) het slechtst, het ergst;

(noun) het slechtste, het ergste

Voorbeeld:

This is the worst movie I've ever seen.
Dit is de slechtste film die ik ooit heb gezien.

wow

/waʊ/

(exclamation) wauw, jeetje;

(verb) verrassen, verbazen;

(noun) succes, sensatie

Voorbeeld:

Wow, that's an amazing view!
Wauw, dat is een geweldig uitzicht!
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland