Vocabulaireverzameling A2 - Letter W in Oxford 3000 - A2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A2 - Letter W' in 'Oxford 3000 - A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) wachten, klaarstaan;
(noun) wachttijd, wacht
Voorbeeld:
(noun) oorlog, gewapend conflict, campagne;
(verb) oorlog voeren, strijden
Voorbeeld:
(verb) wassen, reinigen, wasbaar zijn;
(noun) wasbeurt, wassen, laag
Voorbeeld:
(noun) was, wasbeurt, wasgoed
Voorbeeld:
(noun) golf, zwaai, gebaar;
(verb) zwaaien, wenken, wapperen
Voorbeeld:
(adjective) zwak, ondoeltreffend, breekbaar
Voorbeeld:
(noun) web, spinnenweb, internet;
(verb) bedekken met een web, verbinden
Voorbeeld:
(noun) bruiloft, huwelijk
Voorbeeld:
(noun) gewicht, last, belang;
(verb) verzwaren, belasten
Voorbeeld:
(verb) verwelkomen, begroeten;
(exclamation) welkom;
(adjective) welkom, aangenaam;
(noun) welkom, ontvangst
Voorbeeld:
(adjective) nat, vochtig, regenachtig;
(verb) natmaken, bevochtigen
Voorbeeld:
(noun) wiel, stuur, stuurwiel;
(verb) rijden, duwen, cirkelen
Voorbeeld:
(noun) tijd, poos;
(conjunction) terwijl, gedurende, hoewel;
(verb) verdoen, doorbrengen
Voorbeeld:
(adjective) heel, geheel, intact;
(noun) geheel, totaliteit;
(adverb) helemaal, volledig
Voorbeeld:
(determiner) wiens, waarvan;
(pronoun) wiens
Voorbeeld:
(adjective) breed, wijd, uitgebreid;
(adverb) wijd, helemaal
Voorbeeld:
(adjective) wild, onbeheerst, onbewoond;
(noun) wildernis, natuur;
(adverb) wild, ongecontroleerd
Voorbeeld:
(noun) wind, adem, lucht;
(verb) winden, kronkelen, opwinden
Voorbeeld:
(noun) winnaar, succes, voltreffer
Voorbeeld:
(verb) wensen, verlangen;
(noun) wens, verlangen
Voorbeeld:
(noun) hout, bos, woud
Voorbeeld:
(adjective) houten, houterig, stijf
Voorbeeld:
(adjective) werkend, bezig, in dienst;
(noun) werk, werking
Voorbeeld:
(adjective) bezorgd, ongerust
Voorbeeld:
(verb) zich zorgen maken, verontrusten, lastigvallen;
(noun) zorgen, bezorgdheid
Voorbeeld:
(adjective) slechter, erger;
(adverb) slechter, erger;
(noun) het ergste, het slechtere
Voorbeeld:
(adjective) slechtste;
(adverb) het slechtst, het ergst;
(noun) het slechtste, het ergste
Voorbeeld:
(exclamation) wauw, jeetje;
(verb) verrassen, verbazen;
(noun) succes, sensatie
Voorbeeld: