Avatar of Vocabulary Set A1 - Letter G

Vocabulaireverzameling A1 - Letter G in Oxford 3000 - A1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A1 - Letter G' in 'Oxford 3000 - A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

game

/ɡeɪm/

(noun) spel, sport, wild;

(verb) manipuleren, bedriegen;

(adjective) bereid, enthousiast

Voorbeeld:

Let's play a board game tonight.
Laten we vanavond een bordspel spelen.

garden

/ˈɡɑːr.dən/

(noun) tuin;

(verb) tuinieren, beplanten

Voorbeeld:

She spent the afternoon working in her garden.
Ze bracht de middag door met werken in haar tuin.

geography

/dʒiˈɑː.ɡrə.fi/

(noun) aardrijkskunde, geografie

Voorbeeld:

She is studying geography at university.
Ze studeert aardrijkskunde aan de universiteit.

get

/ɡet/

(verb) krijgen, verkrijgen, ontvangen;

(noun) opbrengst, vangst

Voorbeeld:

Did you get the mail today?
Heb je de post vandaag gekregen?

girl

/ɡɝːl/

(noun) meisje, meid, dochter

Voorbeeld:

The little girl was playing with her doll.
Het kleine meisje speelde met haar pop.

girlfriend

/ˈɡɝːl.frend/

(noun) vriendin

Voorbeeld:

He introduced me to his new girlfriend.
Hij stelde me voor aan zijn nieuwe vriendin.

give

/ɡɪv/

(verb) geven, schenken, afgeven;

(noun) rek, elasticiteit

Voorbeeld:

Can you give me that book?
Kun je me dat boek geven?

glass

/ɡlæs/

(noun) glas;

(verb) inglasen, inmaken

Voorbeeld:

The window is made of glass.
Het raam is gemaakt van glas.

go

/ɡoʊ/

(verb) gaan, werken, functioneren;

(noun) poging, beurt;

(adjective) klaar, gereed;

(exclamation) gaan, kom op

Voorbeeld:

I need to go to the store.
Ik moet naar de winkel gaan.

good

/ɡʊd/

(adjective) goed, leuk, aangenaam;

(adverb) goed;

(noun) het goede, welzijn;

(exclamation) goed

Voorbeeld:

She's a very good student.
Ze is een hele goede student.

goodbye

/ɡʊdˈbaɪ/

(exclamation) tot ziens, vaarwel;

(noun) afscheid, vaarwel

Voorbeeld:

She waved and said, "Goodbye!"
Ze zwaaide en zei: "Tot ziens!"

grandfather

/ˈɡræn.fɑː.ðɚ/

(noun) grootvader, opa

Voorbeeld:

My grandfather always tells the best stories.
Mijn grootvader vertelt altijd de beste verhalen.

grandmother

/ˈɡræn.mʌð.ɚ/

(noun) grootmoeder, oma

Voorbeeld:

My grandmother bakes the best cookies.
Mijn grootmoeder bakt de beste koekjes.

grandparent

/ˈɡræn.per.ənt/

(noun) grootouder, grootouders

Voorbeeld:

My grandparents are visiting us next week.
Mijn grootouders komen volgende week op bezoek.

great

/ɡreɪt/

(adjective) groot, geweldig, uitstekend;

(adverb) geweldig, uitstekend

Voorbeeld:

The company achieved great success this year.
Het bedrijf behaalde dit jaar groot succes.

green

/ɡriːn/

(adjective) groen, milieuvriendelijk, onrijp;

(noun) groen, de kleur groen, grasveld;

(verb) groen worden, groen maken

Voorbeeld:

The leaves on the trees are a vibrant green.
De bladeren aan de bomen zijn levendig groen.

grey

/ɡreɪ/

(adjective) grijs, saai, eentonig;

(noun) grijs;

(verb) vergrijzen, grijs worden

Voorbeeld:

The sky was a dull grey before the storm.
De lucht was dof grijs voor de storm.

group

/ɡruːp/

(noun) groep, verzameling, band;

(verb) groeperen, indelen

Voorbeeld:

A group of students gathered outside the library.
Een groep studenten verzamelde zich buiten de bibliotheek.

grow

/ɡroʊ/

(verb) groeien, toenemen, verbouwen

Voorbeeld:

The company's profits continue to grow.
De winst van het bedrijf blijft groeien.

guess

/ɡes/

(verb) raden, gissen;

(noun) gok, schatting

Voorbeeld:

Can you guess how many candies are in the jar?
Kun je raden hoeveel snoepjes er in de pot zitten?

guitar

/ɡɪˈtɑːr/

(noun) gitaar

Voorbeeld:

He learned to play the guitar at a young age.
Hij leerde op jonge leeftijd gitaar spelen.

gym

/dʒɪm/

(noun) sportschool, gym

Voorbeeld:

I go to the gym three times a week.
Ik ga drie keer per week naar de sportschool.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland