Avatar of Vocabulary Set Top 201 - 225 Verbs

Vocabulaireverzameling Top 201 - 225 Verbs in 500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 201 - 225 Verbs' in '500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

vomit

/ˈvɑː.mɪt/

(verb) overgeven, braken;

(noun) braaksel, overgeefsel

Voorbeeld:

He felt so sick that he thought he was going to vomit.
Hij voelde zich zo ziek dat hij dacht dat hij zou overgeven.

wish

/wɪʃ/

(verb) wensen, verlangen;

(noun) wens, verlangen

Voorbeeld:

I wish I could fly.
Ik wens dat ik kon vliegen.

prove

/pruːv/

(verb) bewijzen, aantonen, blijken

Voorbeeld:

Can you prove your innocence?
Kun je je onschuld bewijzen?

assume

/əˈsuːm/

(verb) aannemen, veronderstellen, verkrijgen

Voorbeeld:

I assume you're coming to the party.
Ik neem aan dat je naar het feest komt.

contain

/kənˈteɪn/

(verb) bevatten, inhouden, bedwingen

Voorbeeld:

The box contains old letters.
De doos bevat oude brieven.

rise

/raɪz/

(verb) rijzen, stijgen, opgaan;

(noun) stijging, opkomst, verhoging

Voorbeeld:

The sun began to rise over the mountains.
De zon begon te rijzen boven de bergen.

prevent

/prɪˈvent/

(verb) voorkomen, verhinderen, beletten

Voorbeeld:

The new policy aims to prevent fraud.
Het nieuwe beleid is gericht op het voorkomen van fraude.

survive

/sɚˈvaɪv/

(verb) overleven, voortbestaan, bewaard blijven

Voorbeeld:

Only the strongest will survive the harsh winter.
Alleen de sterksten zullen de strenge winter overleven.

hide

/haɪd/

(verb) verbergen, verstoppen, zich verstoppen;

(noun) huid, vel

Voorbeeld:

She tried to hide the present from her children.
Ze probeerde het cadeau voor haar kinderen te verbergen.

vote

/voʊt/

(noun) stem, stemming;

(verb) stemmen, kiezen

Voorbeeld:

Every citizen has the right to cast a vote in the election.
Elke burger heeft het recht om een stem uit te brengen bij de verkiezingen.

recommend

/ˌrek.əˈmend/

(verb) aanbevelen, adviseren

Voorbeeld:

I can highly recommend this book.
Ik kan dit boek ten zeerste aanbevelen.

hate

/heɪt/

(verb) haten, afschuw hebben van;

(noun) haat, afkeer

Voorbeeld:

I hate doing laundry.
Ik haat de was doen.

sleep

/sliːp/

(noun) slaap;

(verb) slapen

Voorbeeld:

I need to get more sleep.
Ik moet meer slapen.

report

/rɪˈpɔːrt/

(noun) rapport, verslag, knal;

(verb) melden, verslag doen, rapporteren aan

Voorbeeld:

The police issued a report on the incident.
De politie heeft een rapport over het incident uitgebracht.

prepare

/prɪˈper/

(verb) voorbereiden, klaarmaken, zich voorbereiden

Voorbeeld:

She needs to prepare dinner for her guests.
Ze moet het avondeten voorbereiden voor haar gasten.

spread

/spred/

(verb) verspreiden, uitbreiden, uitspreiden;

(noun) verspreiding, uitbreiding, broodbeleg

Voorbeeld:

The fire spread rapidly through the forest.
Het vuur verspreidde zich snel door het bos.

trust

/trʌst/

(noun) vertrouwen, trust, fiducie;

(verb) vertrouwen, toevertrouwen, aanvertrouwen

Voorbeeld:

She placed her complete trust in her lawyer.
Ze stelde haar volledige vertrouwen in haar advocaat.

force

/fɔːrs/

(noun) kracht, energie, geweld;

(verb) dwingen, forceren

Voorbeeld:

He pushed the door with great force.
Hij duwde de deur met grote kracht.

plan

/plæn/

(noun) plan, ontwerp, plattegrond;

(verb) plannen, organiseren

Voorbeeld:

We need a solid plan to finish this project on time.
We hebben een solide plan nodig om dit project op tijd af te krijgen.

visit

/ˈvɪz.ɪt/

(verb) bezoeken;

(noun) bezoek, huisbezoek

Voorbeeld:

I'm going to visit my grandparents next weekend.
Ik ga volgend weekend mijn grootouders bezoeken.

introduce

/ˌɪn.trəˈduːs/

(verb) voorstellen, introduceren, invoeren

Voorbeeld:

Let me introduce you to my colleague, Sarah.
Laat me je voorstellen aan mijn collega, Sarah.

calm

/kɑːm/

(adjective) kalm, rustig, windstil;

(verb) kalmeren, tot rust brengen;

(noun) kalmte, rust

Voorbeeld:

She remained calm despite the chaos around her.
Ze bleef kalm ondanks de chaos om haar heen.

accept

/əkˈsept/

(verb) accepteren, aannemen, instemmen met

Voorbeeld:

She accepted the gift with a smile.
Ze accepteerde het cadeau met een glimlach.

claim

/kleɪm/

(verb) beweren, aanspraak maken op, opeisen;

(noun) bewering, claim, aanspraak

Voorbeeld:

He claims to be a direct descendant of the king.
Hij beweert een directe afstammeling van de koning te zijn.

appreciate

/əˈpriː.ʃi.eɪt/

(verb) waarderen, erkennen, inzien

Voorbeeld:

I really appreciate your help.
Ik waardeer je hulp echt.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland