Vocabulaireverzameling Top 376 - 400 Nouns in 500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Top 376 - 400 Nouns' in '500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) kaas, lach, grijns;
(verb) lachen, grijnzen
Voorbeeld:
(noun) verlies, tekort
Voorbeeld:
(noun) schip, vaartuig;
(verb) verzenden, vervoeren
Voorbeeld:
(noun) datum, afspraakje, date;
(verb) dateren, daten, uitgaan met
Voorbeeld:
(noun) race, wedstrijd, ras;
(verb) racen, wedijveren, snel bewegen
Voorbeeld:
(noun) strategie, plan, militaire strategie
Voorbeeld:
(noun) vinger;
(verb) aanraken, voelen
Voorbeeld:
(noun) bot, been, botmateriaal;
(verb) ontbenen
Voorbeeld:
(noun) ton, metrische ton, veel
Voorbeeld:
(noun) aarde, wereld, grond;
(verb) aarden, gronden
Voorbeeld:
(noun) zon, zonlicht, zonnewarmte;
(verb) zonnen, blootstellen aan de zon
Voorbeeld:
(noun) maan, natuurlijke satelliet;
(verb) billen tonen, moonen, zwijmelen
Voorbeeld:
(noun) oplossing
Voorbeeld:
(noun) stem, stemming;
(verb) stemmen, kiezen
Voorbeeld:
(noun) generatie, opwekking, afstamming
Voorbeeld:
(noun) rots, steen, rock;
(verb) wiegen, schommelen, schokken
Voorbeeld:
(noun) ruzie, discussie, geschil
Voorbeeld:
(noun) vergadering, bijeenkomst, ontmoeting;
(verb) ontmoetend, vergaderend
Voorbeeld:
(noun) staaf, balk, spijl;
(verb) versperren, verbieden, uitsluiten
Voorbeeld:
(noun) slag, gevecht, strijd;
(verb) vechten, strijden
Voorbeeld:
(noun) vlek, stip, plek;
(verb) zien, opmerken
Voorbeeld:
(noun) e-mail, elektronische post;
(verb) e-mailen, mailen
Voorbeeld:
(noun) chocolade, chocolademelk, cacao;
(adjective) chocoladekleurig, donkerbruin
Voorbeeld:
(verb) controleren, nakijken, stoppen;
(noun) controle, stop, ruit
Voorbeeld:
(noun) tas, zak, ding;
(verb) inpakken, verpakken, bemachtigen
Voorbeeld: