Avatar of Vocabulary Set Top 351 - 375 Nouns

Vocabulaireverzameling Top 351 - 375 Nouns in 500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 351 - 375 Nouns' in '500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

nation

/ˈneɪ.ʃən/

(noun) natie, land

Voorbeeld:

The United States is a diverse nation.
De Verenigde Staten is een diverse natie.

individual

/ˌɪn.dəˈvɪdʒ.u.əl/

(noun) individu, persoon;

(adjective) individueel, afzonderlijk, uniek

Voorbeeld:

Every individual has the right to express their opinion.
Elk individu heeft het recht om zijn mening te uiten.

sentence

/ˈsen.təns/

(noun) zin, straf, veroordeling;

(verb) veroordelen, straffen

Voorbeeld:

Please write a complete sentence.
Schrijf alstublieft een volledige zin.

benefit

/ˈben.ə.fɪt/

(noun) voordeel, nut, profijt;

(verb) profiteren, voordeel trekken uit, ten goede komen

Voorbeeld:

The new policy will bring many benefits to the community.
Het nieuwe beleid zal veel voordelen voor de gemeenschap opleveren.

shot

/ʃɑːt/

(noun) schot, afvuren, poging;

(past tense) schoot, opgenomen;

(past participle) schoot, opgenomen

Voorbeeld:

We heard a loud shot in the distance.
We hoorden een luid schot in de verte.

structure

/ˈstrʌk.tʃɚ/

(noun) structuur, opbouw, bouwwerk;

(verb) structureren, opbouwen

Voorbeeld:

The structure of the human body is incredibly complex.
De structuur van het menselijk lichaam is ongelooflijk complex.

impact

/ˈɪm.pækt/

(noun) inslag, botsing, impact;

(verb) beïnvloeden, raken, treffen

Voorbeeld:

The impact of the car against the tree was severe.
De inslag van de auto tegen de boom was hevig.

pattern

/ˈpæt̬.ɚn/

(noun) patroon, dessin, gedrag;

(verb) patroneren, vormgeven

Voorbeeld:

The wallpaper has a floral pattern.
Het behang heeft een bloemenpatroon.

sleep

/sliːp/

(noun) slaap;

(verb) slapen

Voorbeeld:

I need to get more sleep.
Ik moet meer slapen.

hospital

/ˈhɑː.spɪ.t̬əl/

(noun) ziekenhuis

Voorbeeld:

She was rushed to the hospital after the accident.
Ze werd na het ongeluk naar het ziekenhuis gebracht.

object

/ˈɑːb.dʒɪkt/

(noun) voorwerp, object, doel;

(verb) bezwaar maken, tegenwerpen

Voorbeeld:

She picked up a strange object from the ground.
Ze raapte een vreemd voorwerp van de grond op.

career

/kəˈrɪr/

(noun) carrière, loopbaan;

(verb) razen, stormen

Voorbeeld:

She is pursuing a career in medicine.
Ze streeft een carrière na in de geneeskunde.

edge

/edʒ/

(noun) rand, kant, snijkant;

(verb) omzomen, afboorden, schuifelen

Voorbeeld:

She stood at the edge of the cliff.
Ze stond op de rand van de klif.

fear

/fɪr/

(noun) angst, vrees, ontzag;

(verb) vrezen, bang zijn voor, bezorgd zijn om

Voorbeeld:

She felt a sudden surge of fear when she heard the strange noise.
Ze voelde een plotselinge golf van angst toen ze het vreemde geluid hoorde.

customer

/ˈkʌs.tə.mɚ/

(noun) klant

Voorbeeld:

The store offers excellent service to its customers.
De winkel biedt uitstekende service aan zijn klanten.

effort

/ˈef.ɚt/

(noun) inspanning, moeite, prestatie

Voorbeeld:

He made a great effort to finish the race.
Hij deed een grote inspanning om de race te voltooien.

temperature

/ˈtem.pɚ.ə.tʃɚ/

(noun) temperatuur, koorts

Voorbeeld:

The room temperature is 25 degrees Celsius.
De kamertemperatuur is 25 graden Celsius.

activity

/ækˈtɪv.ə.t̬i/

(noun) activiteit, bedrijvigheid, bezigheid

Voorbeeld:

There was a lot of activity in the kitchen.
Er was veel activiteit in de keuken.

meat

/miːt/

(noun) vlees, pit

Voorbeeld:

We had roasted meat for dinner.
We hadden gebraden vlees als avondeten.

access

/ˈæk.ses/

(noun) toegang, ingang, gebruiksmogelijkheid;

(verb) toegang krijgen tot, openen, betreden

Voorbeeld:

The only access to the building was through a back alley.
De enige toegang tot het gebouw was via een achtersteeg.

charge

/tʃɑːrdʒ/

(verb) aanrekenen, in rekening brengen, aanklagen;

(noun) kosten, vergoeding, aanklacht

Voorbeeld:

The restaurant charged us for water we didn't order.
Het restaurant rekende ons water aan dat we niet hadden besteld.

campaign

/kæmˈpeɪn/

(noun) campagne, militaire operatie, actie;

(verb) campagne voeren, actie voeren

Voorbeeld:

The general launched a new campaign against the enemy.
De generaal lanceerde een nieuwe campagne tegen de vijand.

mistake

/mɪˈsteɪk/

(noun) fout, vergissing;

(verb) verwarren, misverstaan

Voorbeeld:

I made a mistake on the exam.
Ik heb een fout gemaakt op het examen.

instance

/ˈɪn.stəns/

(noun) voorbeeld, geval;

(verb) aanhalen, als voorbeeld noemen

Voorbeeld:

For instance, consider the case of a small business.
Bijvoorbeeld, overweeg het geval van een klein bedrijf.

text

/tekst/

(noun) tekst, geschrift, sms;

(verb) sms'en, een sms sturen

Voorbeeld:

The original text of the novel was much longer.
De originele tekst van de roman was veel langer.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland