Avatar of Vocabulary Set Top 251 - 275 Nouns

Vocabulaireverzameling Top 251 - 275 Nouns in 500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 251 - 275 Nouns' in '500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

tonight

/təˈnaɪt/

(adverb) vanavond;

(noun) vanavond

Voorbeeld:

I'm going to the concert tonight.
Ik ga vanavond naar het concert.

human

/ˈhjuː.mən/

(adjective) menselijk, medelevend;

(noun) mens, menselijk wezen

Voorbeeld:

The ability to reason is a unique human trait.
Het vermogen om te redeneren is een unieke menselijke eigenschap.

theory

/ˈθɪr.i/

(noun) theorie, hypothese, beginselen

Voorbeeld:

The scientist proposed a new theory about the origin of the universe.
De wetenschapper stelde een nieuwe theorie voor over het ontstaan van het universum.

weight

/weɪt/

(noun) gewicht, last, belang;

(verb) verzwaren, belasten

Voorbeeld:

What is the weight of this package?
Wat is het gewicht van dit pakket?

bottom

/ˈbɑː.t̬əm/

(noun) onderkant, bodem, billen;

(adjective) onderste, laagste;

(verb) bodem bereiken, minimaliseren

Voorbeeld:

The book fell to the bottom of the stairs.
Het boek viel naar de onderkant van de trap.

condition

/kənˈdɪʃ.ən/

(noun) staat, conditie, voorwaarde;

(verb) conditioneren, trainen

Voorbeeld:

The car is in excellent condition.
De auto is in uitstekende staat.

message

/ˈmes.ɪdʒ/

(noun) bericht, boodschap, strekking;

(verb) berichten, een bericht sturen

Voorbeeld:

I received a text message from my friend.
Ik ontving een tekstbericht van mijn vriend.

challenge

/ˈtʃæl.ɪndʒ/

(noun) uitdaging, uitnodiging tot strijd, moeilijkheid;

(verb) uitdagen, betwisten, in twijfel trekken

Voorbeeld:

He accepted the challenge to a duel.
Hij accepteerde de uitdaging voor een duel.

source

/sɔːrs/

(noun) bron, oorsprong;

(verb) betrekken, verkrijgen

Voorbeeld:

The river's source is in the mountains.
De bron van de rivier ligt in de bergen.

pain

/peɪn/

(noun) pijn, leed, verdriet;

(verb) pijn doen, kwellen

Voorbeeld:

She felt a sharp pain in her leg.
Ze voelde een scherpe pijn in haar been.

store

/stɔːr/

(noun) winkel, zaak, voorraad;

(verb) opslaan, bewaren

Voorbeeld:

I need to go to the grocery store to buy some milk.
Ik moet naar de supermarkt om melk te kopen.

glass

/ɡlæs/

(noun) glas;

(verb) inglasen, inmaken

Voorbeeld:

The window is made of glass.
Het raam is gemaakt van glas.

degree

/dɪˈɡriː/

(noun) mate, graad, diploma

Voorbeeld:

To what degree do you agree with this statement?
In welke mate bent u het eens met deze verklaring?

science

/ˈsaɪ.əns/

(noun) wetenschap, vakgebied

Voorbeeld:

The study of science is essential for understanding the world around us.
De studie van wetenschap is essentieel voor het begrijpen van de wereld om ons heen.

view

/vjuː/

(noun) uitzicht, zicht, mening;

(verb) bekijken, zien, beschouwen

Voorbeeld:

The hotel room had a stunning view of the ocean.
De hotelkamer had een prachtig uitzicht op de oceaan.

feeling

/ˈfiː.lɪŋ/

(noun) gevoel, emotie, tastzin

Voorbeeld:

She had a strange feeling that something was wrong.
Ze had een vreemd gevoel dat er iets mis was.

beginning

/bɪˈɡɪn.ɪŋ/

(noun) begin, aanvang, eerste deel

Voorbeeld:

The beginning of the movie was slow, but it got better.
Het begin van de film was traag, maar het werd beter.

middle

/ˈmɪd.əl/

(noun) midden;

(adverb) midden;

(adjective) midden, middelste

Voorbeeld:

He stood in the middle of the room.
Hij stond in het midden van de kamer.

arm

/ɑːrm/

(noun) arm, wapen;

(verb) bewapenen

Voorbeeld:

She held the baby in her arms.
Ze hield de baby in haar armen.

page

/peɪdʒ/

(noun) pagina, blad, page;

(verb) oproepen, piepen

Voorbeeld:

Please turn to page 25.
Ga naar pagina 25.

center

/ˈsen.t̬ɚ/

(noun) midden, centrum, faciliteit;

(verb) centreren, in het midden plaatsen

Voorbeeld:

The table is in the center of the room.
De tafel staat in het midden van de kamer.

experiment

/ɪkˈsper.ə.mənt/

(noun) experiment, proef, uitprobeersel;

(verb) experimenteren, uitproberen

Voorbeeld:

The scientists conducted an experiment to test their new theory.
De wetenschappers voerden een experiment uit om hun nieuwe theorie te testen.

advice

/ədˈvaɪs/

(noun) advies, raad

Voorbeeld:

Can I offer you some advice?
Mag ik u wat advies geven?

sex

/seks/

(noun) geslacht, seks, geslachtsgemeenschap;

(verb) geslachtsbepalen

Voorbeeld:

What sex is your baby?
Welk geslacht is je baby?

television

/ˈtel.ə.vɪʒ.ən/

(noun) televisie, tv, televisietoestel

Voorbeeld:

We watched the news on television.
We keken naar het nieuws op televisie.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland