Vocabulaireverzameling C1 - Welke kleur? Welke vorm? in Niveau C1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'C1 - Welke kleur? Welke vorm?' in 'Niveau C1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) barnsteen;
(adjective) barnsteenkleurig, amberkleurig
Voorbeeld:
(noun) smaragd;
(adjective) smaragdgroen
Voorbeeld:
(noun) robijn, robijnrood;
(adjective) robijnrood
Voorbeeld:
(noun) turkoois;
(adjective) turkoois
Voorbeeld:
(noun) beige;
(adjective) beige
Voorbeeld:
(noun) brons, bronskleur, bronzen medaille;
(verb) bronzen, verbronzen;
(adjective) bronzen, bronskleurig, roodbruin
Voorbeeld:
(noun) bordeauxrood;
(adjective) bordeauxrood
Voorbeeld:
(noun) kastanje, kastanjeboom, kastanjebruin;
(adjective) kastanjebruin
Voorbeeld:
(adjective) romig, crèmekleurig
Voorbeeld:
(noun) ebbenhout;
(adjective) ebbenhoutkleurig, pikzwart
Voorbeeld:
(noun) hazelnootboom, hazelaar;
(adjective) hazelnootkleurig, groenbruin
Voorbeeld:
(noun) khaki, khakistof;
(adjective) khaki, bruingeel
Voorbeeld:
(noun) olijf, olijfboom;
(adjective) olijfgroen
Voorbeeld:
(noun) scharlaken, helderrood;
(adjective) scharlaken, helderrood
Voorbeeld:
(adjective) zeegroen
Voorbeeld:
(adjective) hemelsblauw, lichtblauw
Voorbeeld:
(adjective) pikzwart, gitzwart
Voorbeeld:
(adjective) sneeuwwit
Voorbeeld:
(adjective) subtiel, fijn, delicaat
Voorbeeld:
(adjective) transparant, doorzichtig, duidelijk
Voorbeeld:
(adjective) levendig, bruisend, helder
Voorbeeld:
(adjective) saai, vervelend, bot;
(verb) verdoffen, temperen
Voorbeeld:
(noun) contrast, tegenstelling;
(verb) contrasteren, tegenover elkaar stellen
Voorbeeld:
(noun) boog, voetboog;
(verb) buigen, welven;
(adjective) ondeugend, schelmachtig
Voorbeeld:
(adjective) rond, cirkelvormig, circulair;
(noun) circulaire, rondschrijven
Voorbeeld:
(noun) kegel, hoorntje, dennenappel;
(verb) kegelvormig maken, conificeren
Voorbeeld:
(verb) krullen, opkrullen;
(noun) krul
Voorbeeld:
(noun) cilinder
Voorbeeld:
(noun) dimensie, afmeting, aspect
Voorbeeld:
(noun) rechte hoek
Voorbeeld:
(adjective) breekbaar, fragiel, kwetsbaar
Voorbeeld:
(adjective) immens, enorm, reusachtig
Voorbeeld:
(adjective) intact, ongeschonden, compleet
Voorbeeld:
(adjective) onzichtbaar, onmerkbaar, verborgen
Voorbeeld:
(adjective) lineair, rechtlijnig, opeenvolgend
Voorbeeld:
(noun) spiraal, neerwaartse spiraal;
(verb) spiralen, kronkelen, verslechteren;
(adjective) spiraalvormig
Voorbeeld:
(noun) minuut, ogenblik, moment;
(adjective) miniem, minuscuul
Voorbeeld:
(noun) achterkant, achterzijde;
(adjective) achterste;
(verb) fokken, houden, opvoeden
Voorbeeld: