Avatar of Vocabulary Set C1 - Godvrezende Mensen

Vocabulaireverzameling C1 - Godvrezende Mensen in Niveau C1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'C1 - Godvrezende Mensen' in 'Niveau C1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

father

/ˈfɑː.ðɚ/

(noun) vader, papa, pater;

(verb) verwekken, vader zijn van, oprichten

Voorbeeld:

My father taught me how to ride a bike.
Mijn vader leerde me fietsen.

christ

/kraɪst/

(noun) Christus;

(exclamation) Christus, jemig

Voorbeeld:

Jesus Christ is central to the Christian faith.
Jezus Christus staat centraal in het christelijk geloof.

jesus

/ˈdʒiː.zəs/

(noun) Jezus;

(exclamation) Jezus, jeetje

Voorbeeld:

Christians believe that Jesus was crucified and resurrected.
Christenen geloven dat Jezus gekruisigd en opgestaan is.

saint

/seɪnt/

(noun) heilige, goed mens;

(verb) heilig verklaren, canoniseren

Voorbeeld:

Mother Teresa is considered a modern saint.
Moeder Teresa wordt beschouwd als een moderne heilige.

pope

/poʊp/

(noun) paus

Voorbeeld:

The Pope delivered his blessing to the crowd.
De paus gaf zijn zegen aan de menigte.

bishop

/ˈbɪʃ.əp/

(noun) bisschop, loper

Voorbeeld:

The bishop presided over the ordination ceremony.
De bisschop leidde de wijdingceremonie.

pastor

/ˈpæs.tɚ/

(noun) pastor, dominee;

(verb) pastoreren, leiden

Voorbeeld:

The pastor delivered a powerful sermon on Sunday.
De pastor hield zondag een krachtige preek.

brother

/ˈbrʌð.ɚ/

(noun) broer, broeder, kameraad

Voorbeeld:

My older brother lives in New York.
Mijn oudere broer woont in New York.

missionary

/ˈmɪʃ.er.i/

(noun) missionaris;

(adjective) missionaris, zendings-

Voorbeeld:

The missionary dedicated her life to helping the poor in Africa.
De missionaris wijdde haar leven aan het helpen van de armen in Afrika.

monk

/mʌŋk/

(noun) monnik

Voorbeeld:

The monk devoted his life to prayer and meditation.
De monnik wijdde zijn leven aan gebed en meditatie.

nun

/nʌn/

(noun) non

Voorbeeld:

The nun dedicated her life to prayer and service.
De non wijdde haar leven aan gebed en dienstbaarheid.

catholic

/ˈkæθ.əl.ɪk/

(adjective) katholiek, breed, universeel;

(noun) katholiek

Voorbeeld:

He was raised in a strict Catholic family.
Hij is opgegroeid in een streng katholiek gezin.

protestant

/ˈprɑː.t̬ɪ.stənt/

(noun) protestant;

(adjective) protestants

Voorbeeld:

Many Protestants immigrated to America seeking religious freedom.
Veel protestanten emigreerden naar Amerika op zoek naar religieuze vrijheid.

congregation

/ˌkɑːŋ.ɡrəˈɡeɪ.ʃən/

(noun) verzameling, bijeenkomst, gemeente

Voorbeeld:

A large congregation of birds gathered on the wires.
Een grote verzameling vogels verzamelde zich op de draden.

parish

/ˈper.ɪʃ/

(noun) parochie, parochianen, gemeenteleden

Voorbeeld:

The local parish organized a community clean-up event.
De plaatselijke parochie organiseerde een gemeenschappelijke opruimactie.

convert

/kənˈvɝːt/

(verb) omzetten, verbouwen, converteren;

(noun) bekeerling, overtuigde

Voorbeeld:

They decided to convert the old barn into a guesthouse.
Ze besloten de oude schuur te verbouwen tot een gastenverblijf.

follower

/ˈfɑː.loʊ.ɚ/

(noun) volger, aanhanger, achtervolger

Voorbeeld:

She has a large number of followers on social media.
Ze heeft een groot aantal volgers op sociale media.

pilgrim

/ˈpɪl.ɡrɪm/

(noun) pelgrim, Pilgrims, eerste kolonisten

Voorbeeld:

Many pilgrims visit Mecca each year.
Veel pelgrims bezoeken elk jaar Mekka.

christening

/ˈkrɪs.ən.ɪŋ/

(noun) doop, doopsel, naamgeving

Voorbeeld:

The family gathered for the baby's christening.
De familie kwam samen voor de doop van de baby.

blessing

/ˈbles.ɪŋ/

(noun) zegen, voordeel, geluk

Voorbeeld:

May God's blessing be upon you.
Moge Gods zegen over u zijn.

buddhist

/ˈbʊd.ɪst/

(noun) boeddhist;

(adjective) boeddhistisch

Voorbeeld:

Many Buddhists meditate daily.
Veel boeddhisten mediteren dagelijks.

funeral

/ˈfjuː.nɚ.əl/

(noun) begrafenis, uitvaart

Voorbeeld:

The family held a private funeral for their loved one.
De familie hield een besloten begrafenis voor hun geliefde.

cult

/kʌlt/

(noun) cultus, sekte, religieuze groep;

(adjective) sekte-, cultus-

Voorbeeld:

The ancient civilization had a sun cult.
De oude beschaving had een zonnecultus.

fate

/feɪt/

(noun) lot, bestemming, uitkomst;

(verb) voorbestemd, gedoemd

Voorbeeld:

Is it fate that brought us together?
Is het het lot dat ons samenbracht?

islam

/ˈɪz.lɑːm/

(noun) Islam

Voorbeeld:

Islam is one of the world's largest religions.
Islam is een van 's werelds grootste religies.

muhammad

/moʊˈhæm.ɪd/

(noun) Mohammed

Voorbeeld:

The teachings of Muhammad are central to the Islamic faith.
De leringen van Mohammed staan centraal in het islamitische geloof.

monastery

/ˈmɑː.nə.ster.i/

(noun) klooster

Voorbeeld:

The ancient monastery stood peacefully on the hillside.
Het oude klooster stond vredig op de heuvel.

shrine

/ʃraɪn/

(noun) heiligdom, schrijn, gedenkteken;

(verb) insluiten, vereren

Voorbeeld:

Pilgrims visited the ancient shrine.
Pelgrims bezochten het oude heiligdom.

ritual

/ˈrɪtʃ.u.əl/

(noun) ritueel, ceremonie, gewoonte;

(adjective) ritueel

Voorbeeld:

The ancient tribe performed a sacred ritual to honor their ancestors.
De oude stam voerde een heilig ritueel uit om hun voorouders te eren.

divine

/dɪˈvaɪn/

(adjective) goddelijk, heerlijk, prachtig;

(verb) raden, doorgronden

Voorbeeld:

Many ancient cultures worshipped a multitude of divine beings.
Veel oude culturen aanbaden een veelheid aan goddelijke wezens.

sacred

/ˈseɪ.krɪd/

(adjective) heilig, gewijd, onaantastbaar

Voorbeeld:

The temple is a sacred place for worship.
De tempel is een heilige plaats van aanbidding.

secular

/ˈsek.jə.lɚ/

(adjective) seculier, wereldlijk, wereldgeestelijk

Voorbeeld:

The school provides a secular education, not religious instruction.
De school biedt seculier onderwijs, geen religieuze instructie.

preach

/priːtʃ/

(verb) preken, prediken, verkondigen

Voorbeeld:

The pastor will preach about forgiveness this Sunday.
De pastor zal deze zondag over vergeving preken.

sacrifice

/ˈsæk.rə.faɪs/

(noun) offer, opoffering, offering;

(verb) opofferen, offeren, slachten

Voorbeeld:

Parents often make great sacrifices for their children's future.
Ouders brengen vaak grote offers voor de toekomst van hun kinderen.

sin

/sɪn/

(noun) zonde, schande;

(verb) zondigen

Voorbeeld:

He confessed his sins to the priest.
Hij bekende zijn zonden aan de priester.

worship

/ˈwɝː.ʃɪp/

(noun) eredienst, verering, bewondering;

(verb) aanbidden, vereren, bewonderen

Voorbeeld:

The congregation gathered for Sunday worship.
De gemeente kwam samen voor de zondagse eredienst.

archbishop

/ˌɑːrtʃˈbɪʃ.əp/

(noun) aartsbisschop

Voorbeeld:

The archbishop led the solemn procession.
De aartsbisschop leidde de plechtige processie.

God-fearing

/ˈɡɑːdˌfɪrɪŋ/

(adjective) godvrezend, vroom

Voorbeeld:

She comes from a family of God-fearing people.
Ze komt uit een familie van godvrezende mensen.

fear

/fɪr/

(noun) angst, vrees, ontzag;

(verb) vrezen, bang zijn voor, bezorgd zijn om

Voorbeeld:

She felt a sudden surge of fear when she heard the strange noise.
Ze voelde een plotselinge golf van angst toen ze het vreemde geluid hoorde.

godless

/ˈɡɑːd.ləs/

(adjective) goddeloos, atheïstisch, immoreel

Voorbeeld:

He was raised in a godless household.
Hij groeide op in een goddeloos huishouden.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland