Vocabulaireverzameling B2 - Laten we aan de slag gaan! in Niveau B2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B2 - Laten we aan de slag gaan!' in 'Niveau B2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) bureau, agentschap, instantie
Voorbeeld:
(noun) onderneming, corporatie, bedrijf
Voorbeeld:
(noun) plank, bord, raad;
(verb) instappen, aan boord gaan, huisvesten
Voorbeeld:
(abbreviation) CEO, algemeen directeur
Voorbeeld:
(noun) voorzitter;
(verb) voorzitten
Voorbeeld:
(noun) ondernemer
Voorbeeld:
(noun) bediende, klerk, secretaris;
(verb) als klerk werken, klerkswerk doen
Voorbeeld:
(noun) concept, ontwerp, tocht;
(verb) opstellen, ontwerpen, selecteren
Voorbeeld:
(noun) inkomen, opbrengst
Voorbeeld:
(noun) verzekering, verzekeringswezen
Voorbeeld:
(noun) marktonderzoek
Voorbeeld:
(noun) contract, overeenkomst;
(verb) samentrekken, krimpen, oplopen
Voorbeeld:
(verb) oprichten, vestigen, vaststellen
Voorbeeld:
(verb) oprichten, stichten;
(past tense) vond, gevonden
Voorbeeld:
(noun) fonds, kapitaal, voorraad;
(verb) financieren, bekostigen
Voorbeeld:
(verb) produceren, vervaardigen, verzinnen;
(noun) productie, fabricage
Voorbeeld:
(verb) lanceren, starten, afschieten;
(noun) lancering, start
Voorbeeld:
(noun) schip, vaartuig;
(verb) verzenden, vervoeren
Voorbeeld:
(noun) sponsor, geldschieter, indiener;
(verb) sponsoren, financieren, ondersteunen
Voorbeeld:
(noun) strategie, plan, militaire strategie
Voorbeeld:
(noun) partnerschap, vennootschap, samenwerking
Voorbeeld:
(noun) winstmarge
Voorbeeld:
(noun) aandeelhouder
Voorbeeld:
(noun) unie, verbond, vakbond
Voorbeeld:
(noun) belastingontduiking
Voorbeeld:
(noun) verzending, zending, levering
Voorbeeld:
(noun) fortuin, rijkdom, geluk
Voorbeeld:
(plural noun) spaargeld, besparingen, besparing
Voorbeeld:
(adjective) rijk, welgesteld
Voorbeeld:
(phrasal verb) neerkomen, instorten, overgeleverd worden
Voorbeeld:
(phrasal verb) voortleven, overleven, leven van
Voorbeeld:
(phrasal verb) uitbetalen, renderen, afbetalen
Voorbeeld:
(phrasal verb) opzij zetten, reserveren, negeren
Voorbeeld:
(noun) korting, reductie;
(verb) korting geven, afprijzen, negeren
Voorbeeld:
(noun) vergoeding, kosten, honorarium;
(verb) betalen, kosten in rekening brengen
Voorbeeld:
(noun) uitlenen, lening;
(verb) uitlenen, lenen
Voorbeeld:
(noun) terugbetaling, restitutie;
(verb) terugbetalen, restitueren
Voorbeeld:
(noun) senior, oudere, laatstejaars;
(adjective) senior, ouder, hoger in rang
Voorbeeld:
(noun) junior, jongere, derdejaars student;
(adjective) junior, jongere
Voorbeeld:
(verb) spreken, praten, een lezing geven
Voorbeeld: