Avatar of Vocabulary Set B1 - Recht en Politiek

Vocabulaireverzameling B1 - Recht en Politiek in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B1 - Recht en Politiek' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

politics

/ˈpɑː.lə.tɪks/

(noun) politiek, interne politiek, machtspelletjes

Voorbeeld:

She has always been interested in politics.
Ze is altijd geïnteresseerd geweest in politiek.

candidate

/ˈkæn.dɪ.dət/

(noun) kandidaat, examinandus

Voorbeeld:

She is a strong candidate for the job.
Zij is een sterke kandidaat voor de baan.

border

/ˈbɔːr.dɚ/

(noun) grens, rand, boord;

(verb) begrenzen, omzomen

Voorbeeld:

The river forms a natural border between the two nations.
De rivier vormt een natuurlijke grens tussen de twee naties.

congress

/ˈkɑːŋ.ɡres/

(noun) congres, vergadering, Congres

Voorbeeld:

The medical congress will be held in Paris next month.
Het medische congres wordt volgende maand in Parijs gehouden.

council

/ˈkaʊn.səl/

(noun) raad, bestuur, vergadering

Voorbeeld:

The city council approved the new zoning laws.
De stadsraad keurde de nieuwe bestemmingsplannen goed.

county

/ˈkaʊn.t̬i/

(noun) provincie, graafschap

Voorbeeld:

The new regulations apply to all residents within the county.
De nieuwe regels gelden voor alle inwoners binnen de provincie.

court

/kɔːrt/

(noun) rechtbank, gerechtshof, baan;

(verb) versieren, winnen

Voorbeeld:

The suspect was brought before the court.
De verdachte werd voor de rechtbank gebracht.

diplomacy

/dɪˈploʊ.mə.si/

(noun) diplomatie, tact, beleid

Voorbeeld:

The crisis was resolved through careful diplomacy.
De crisis werd opgelost door zorgvuldige diplomatie.

election

/ɪˈlek.ʃən/

(noun) verkiezing, keuze, selectie

Voorbeeld:

The general election will be held next month.
De algemene verkiezingen worden volgende maand gehouden.

elect

/ɪˈlekt/

(verb) kiezen, verkiezen, besluiten;

(adjective) gekozen, uitverkoren;

(noun) de uitverkorenen, de gekozenen

Voorbeeld:

The citizens will elect a new president next month.
De burgers zullen volgende maand een nieuwe president kiezen.

embassy

/ˈem.bə.si/

(noun) ambassade, diplomatieke missie, ambassadepersoneel

Voorbeeld:

The new ambassador arrived at the embassy this morning.
De nieuwe ambassadeur arriveerde vanochtend bij de ambassade.

government

/ˈɡʌv.ɚn.mənt/

(noun) regering, overheid, regeringsvorm

Voorbeeld:

The government announced new policies to boost the economy.
De regering kondigde nieuwe beleidsmaatregelen aan om de economie te stimuleren.

local government

/ˌloʊ.kəl ˈɡʌv.ərn.mənt/

(noun) lokale overheid, gemeentebestuur

Voorbeeld:

The local government is responsible for maintaining public parks.
De lokale overheid is verantwoordelijk voor het onderhoud van openbare parken.

governor

/ˈɡʌv.ɚ.nɚ/

(noun) gouverneur, bestuurder, regelaar

Voorbeeld:

The governor signed the new bill into law.
De gouverneur ondertekende het nieuwe wetsvoorstel.

law

/lɑː/

(noun) wet, recht, principe

Voorbeeld:

Ignorance of the law is no excuse.
Onwetendheid van de wet is geen excuus.

mayor

/mer/

(noun) burgemeester

Voorbeeld:

The mayor announced new public safety initiatives.
De burgemeester kondigde nieuwe openbare veiligheidsinitiatieven aan.

parliament

/ˈpɑːr.lə.mənt/

(noun) parlement, wetgevende macht

Voorbeeld:

The new law was passed by Parliament.
De nieuwe wet werd aangenomen door het Parlement.

party

/ˈpɑːr.t̬i/

(noun) feest, partij, groep;

(verb) feesten, partij vieren

Voorbeeld:

We're having a birthday party for my sister.
We geven een verjaardagsfeestje voor mijn zus.

political

/pəˈlɪt̬.ə.kəl/

(adjective) politiek

Voorbeeld:

The current political climate is very tense.
Het huidige politieke klimaat is erg gespannen.

president

/ˈprez.ɪ.dənt/

(noun) president, rector, voorzitter

Voorbeeld:

The President addressed the nation on television.
De President sprak de natie toe op televisie.

public

/ˈpʌb.lɪk/

(adjective) openbaar, publiek;

(noun) het publiek, de gemeenschap

Voorbeeld:

The library is open to the public.
De bibliotheek is open voor het publiek.

punishment

/ˈpʌn.ɪʃ.mənt/

(noun) straf, bestraffing

Voorbeeld:

The criminal received a severe punishment for his crimes.
De crimineel kreeg een zware straf voor zijn misdaden.

right

/raɪt/

(adjective) juist, correct, rechts;

(adverb) rechts, meteen, direct;

(noun) recht, rechten, rechts;

(verb) rechtop zetten, corrigeren;

(interjection) oké, toch

Voorbeeld:

It's not right to cheat on a test.
Het is niet juist om te spieken bij een toets.

senate

/ˈsen.ət/

(noun) Senaat, senaat (universiteit)

Voorbeeld:

The bill passed through the Senate with a narrow majority.
Het wetsvoorstel werd met een nipte meerderheid door de Senaat aangenomen.

arrest

/əˈrest/

(verb) arresteren, aanhouden, stoppen;

(noun) arrestatie, aanhouding, stop

Voorbeeld:

The police decided to arrest the suspect.
De politie besloot de verdachte te arresteren.

ban

/bæn/

(verb) verbieden, uitbannen;

(noun) verbod, ban

Voorbeeld:

The government decided to ban smoking in all public places.
De overheid besloot roken in alle openbare plaatsen te verbieden.

state

/steɪt/

(noun) staat, toestand;

(verb) verklaren, stellen

Voorbeeld:

The United States is a large country.
De Verenigde Staten is een groot land.

commit

/kəˈmɪt/

(verb) plegen, begaan, verbinden

Voorbeeld:

He was arrested for attempting to commit fraud.
Hij werd gearresteerd wegens poging tot het plegen van fraude.

escape

/ɪˈskeɪp/

(verb) ontsnappen, ontkomen, lekken;

(noun) ontsnapping, vlucht

Voorbeeld:

The prisoner managed to escape from jail.
De gevangene wist uit de gevangenis te ontsnappen.

investigate

/ɪnˈves.tə.ɡeɪt/

(verb) onderzoeken, uitzoeken

Voorbeeld:

The police are investigating the cause of the fire.
De politie onderzoekt de oorzaak van de brand.

murder

/ˈmɝː.dɚ/

(noun) moord, marteling, hel;

(verb) vermoorden, doden, verpesten

Voorbeeld:

He was charged with murder.
Hij werd aangeklaagd voor moord.

punish

/ˈpʌn.ɪʃ/

(verb) straffen, bestraffen, afstraffen

Voorbeeld:

The court decided to punish him for his crimes.
De rechtbank besloot hem te straffen voor zijn misdaden.

rule

/ruːl/

(noun) regel, voorschrift, heerschappij;

(verb) regeren, heersen, beheersen

Voorbeeld:

The first rule of the club is to always be on time.
De eerste regel van de club is om altijd op tijd te zijn.

vote

/voʊt/

(noun) stem, stemming;

(verb) stemmen, kiezen

Voorbeeld:

Every citizen has the right to cast a vote in the election.
Elke burger heeft het recht om een stem uit te brengen bij de verkiezingen.

thief

/θiːf/

(noun) dief

Voorbeeld:

The thief was caught trying to escape with the stolen jewels.
De dief werd betrapt toen hij probeerde te ontsnappen met de gestolen juwelen.

conference

/ˈkɑːn.fɚ.əns/

(noun) conferentie, vergadering;

(verb) vergaderen, confereren

Voorbeeld:

The annual sales conference will be held next month.
De jaarlijkse verkoopconferentie wordt volgende maand gehouden.

statement

/ˈsteɪt.mənt/

(noun) verklaring, uitspraak, afschrift

Voorbeeld:

The witness gave a detailed statement to the police.
De getuige gaf een gedetailleerde verklaring aan de politie.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland