Vocabulaireverzameling B1 - Bijwoorden en Voorzetsels in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B1 - Bijwoorden en Voorzetsels' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(preposition) volgens
Voorbeeld:
(conjunction) terwijl, als, omdat;
(adverb) als, zoals;
(preposition) zoals, zo
Voorbeeld:
(preposition) zoals, gelijk aan, bijvoorbeeld;
(verb) leuk vinden, houden van, willen;
(conjunction) als, zoals;
(adverb) zei, was van mening;
(interjection) zoiets als, was van mening;
(noun) gelijke, soortgelijke
Voorbeeld:
(preposition) binnen, in;
(adverb) binnen, intern
Voorbeeld:
(preposition) onder, hieronder, onderaan;
(adverb) beneden, onder
Voorbeeld:
(preposition) onder, onderaan;
(adverb) eronder, beneden
Voorbeeld:
(adjective) achteruit, achtergebleven, achterlijk;
(adverb) achteruit
Voorbeeld:
(adverb) naar beneden, afwaarts;
(adjective) neerwaarts, dalend
Voorbeeld:
(adverb) vlakbij, dichtbij;
(adjective) nabijgelegen, dichtbijzijnd
Voorbeeld:
(adjective) omhoog, naar boven, stijgend;
(adverb) omhoog, naar boven
Voorbeeld:
(adjective) hoog, maximaal, belangrijk;
(adverb) hoog;
(noun) hoogtepunt, record
Voorbeeld:
(adverb) langs, mee, erbij;
(preposition) samen met, in overeenstemming met
Voorbeeld:
(adverb) ergens, nergens
Voorbeeld:
(adverb) overal
Voorbeeld:
(adverb) nergens, nergens toe, zinloos;
(noun) nergens, onbeduidende plaats
Voorbeeld:
(adverb) ergens, ongeveer, rond
Voorbeeld:
(adverb) weg, af, door;
(adjective) verderop, weg
Voorbeeld:
(preposition) achter, steunen;
(adverb) achter, te laat;
(adjective) achter, minder succesvol
Voorbeeld:
(preposition) door, met, bij;
(adverb) voorbij, langs
Voorbeeld:
(adverb) rechtstreeks, direct, onmiddellijk
Voorbeeld:
(preposition) naar beneden, af, langs;
(adverb) naar beneden, onder, gedaald;
(adjective) naar beneden, omlaag, neerslachtig;
(noun) dons, fijne veren;
(verb) neerslaan, omverwerpen
Voorbeeld:
(adverb) omhoog, naar boven, rechtop;
(adjective) goed, in orde;
(verb) stijgen, omhooggaan;
(noun) stijging, toename
Voorbeeld:
(adverb) ondergronds, clandestien;
(noun) metro, ondergrondse, verzetsbeweging;
(adjective) ondergronds, underground, alternatief
Voorbeeld:
(preposition) tussen, onder, uit
Voorbeeld:
(preposition) op, naar, begrijpen
Voorbeeld:
(adverb) van, af, vrij;
(adjective) uit, afgesloten, afgelast;
(preposition) van, af
Voorbeeld:
(verb) sluiten, dichtdoen, afsluiten;
(adjective) dichtbij, nabij, nauwkeurig;
(adverb) dichtbij, nabij
Voorbeeld:
(preposition) inclusief, met inbegrip van
Voorbeeld:
(preposition) plus, en;
(noun) pluspunt, voordeel;
(adverb) bovendien, daarbij;
(adjective) plus, positief
Voorbeeld:
(preposition) tot;
(conjunction) totdat;
(noun) kassa, geldlade;
(verb) bewerken, ploegen
Voorbeeld:
(preposition) naar, richting, ten opzichte van
Voorbeeld:
(preposition) in tegenstelling tot, anders dan;
(adjective) ongebruikelijk voor, niet typerend voor
Voorbeeld:
(preposition) via, door middel van
Voorbeeld:
(preposition) zonder;
(adverb) buiten
Voorbeeld:
(adverb) ernstig, slecht, onvoldoende
Voorbeeld: