Avatar of Vocabulary Set B1 - Bijwoorden en Voorzetsels

Vocabulaireverzameling B1 - Bijwoorden en Voorzetsels in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B1 - Bijwoorden en Voorzetsels' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

according to

/əˈkɔːrdɪŋ tə/

(preposition) volgens

Voorbeeld:

According to the weather forecast, it will rain tomorrow.
Volgens de weersvoorspelling zal het morgen regenen.

as

/æz/

(conjunction) terwijl, als, omdat;

(adverb) als, zoals;

(preposition) zoals, zo

Voorbeeld:

He sang as he walked down the street.
Hij zong terwijl hij over straat liep.

like

/laɪk/

(preposition) zoals, gelijk aan, bijvoorbeeld;

(verb) leuk vinden, houden van, willen;

(conjunction) als, zoals;

(adverb) zei, was van mening;

(interjection) zoiets als, was van mening;

(noun) gelijke, soortgelijke

Voorbeeld:

She looks just like her mother.
Ze lijkt precies op haar moeder.

within

/wɪˈðɪn/

(preposition) binnen, in;

(adverb) binnen, intern

Voorbeeld:

The answer is within these pages.
Het antwoord bevindt zich binnen deze pagina's.

below

/bɪˈloʊ/

(preposition) onder, hieronder, onderaan;

(adverb) beneden, onder

Voorbeeld:

The sun disappeared below the horizon.
De zon verdween onder de horizon.

underneath

/ˌʌn.dɚˈniːθ/

(preposition) onder, onderaan;

(adverb) eronder, beneden

Voorbeeld:

The cat is hiding underneath the bed.
De kat verstopt zich onder het bed.

backward

/ˈbæk.wɚd/

(adjective) achteruit, achtergebleven, achterlijk;

(adverb) achteruit

Voorbeeld:

He took a step backward to avoid the puddle.
Hij deed een stap achteruit om de plas te vermijden.

downward

/ˈdaʊn.wɚd/

(adverb) naar beneden, afwaarts;

(adjective) neerwaarts, dalend

Voorbeeld:

The ball rolled downward.
De bal rolde naar beneden.

nearby

/ˌnɪrˈbaɪ/

(adverb) vlakbij, dichtbij;

(adjective) nabijgelegen, dichtbijzijnd

Voorbeeld:

There's a good restaurant nearby.
Er is een goed restaurant vlakbij.

upward

/ˈʌp.wɚd/

(adjective) omhoog, naar boven, stijgend;

(adverb) omhoog, naar boven

Voorbeeld:

The balloon floated upward into the sky.
De ballon zweefde omhoog de lucht in.

high

/haɪ/

(adjective) hoog, maximaal, belangrijk;

(adverb) hoog;

(noun) hoogtepunt, record

Voorbeeld:

The mountain is very high.
De berg is erg hoog.

along

/əˈlɑːŋ/

(adverb) langs, mee, erbij;

(preposition) samen met, in overeenstemming met

Voorbeeld:

We walked along the beach.
We liepen langs het strand.

anywhere

/ˈen.i.wer/

(adverb) ergens, nergens

Voorbeeld:

Can we go anywhere quiet?
Kunnen we ergens rustig heen?

everywhere

/ˈev.ri.wer/

(adverb) overal

Voorbeeld:

I looked for my keys everywhere.
Ik zocht overal naar mijn sleutels.

nowhere

/ˈnoʊ.wer/

(adverb) nergens, nergens toe, zinloos;

(noun) nergens, onbeduidende plaats

Voorbeeld:

The missing keys were nowhere to be found.
De vermiste sleutels waren nergens te vinden.

somewhere

/ˈsʌm.wer/

(adverb) ergens, ongeveer, rond

Voorbeeld:

I left my keys somewhere in the house.
Ik heb mijn sleutels ergens in huis laten liggen.

away

/əˈweɪ/

(adverb) weg, af, door;

(adjective) verderop, weg

Voorbeeld:

She walked away from the crowd.
Ze liep weg van de menigte.

behind

/bɪˈhaɪnd/

(preposition) achter, steunen;

(adverb) achter, te laat;

(adjective) achter, minder succesvol

Voorbeeld:

The dog was hiding behind the couch.
De hond verstopte zich achter de bank.

by

/baɪ/

(preposition) door, met, bij;

(adverb) voorbij, langs

Voorbeeld:

He traveled by train.
Hij reisde met de trein.

directly

/daɪˈrekt.li/

(adverb) rechtstreeks, direct, onmiddellijk

Voorbeeld:

He walked directly to the door.
Hij liep rechtstreeks naar de deur.

down

/daʊn/

(preposition) naar beneden, af, langs;

(adverb) naar beneden, onder, gedaald;

(adjective) naar beneden, omlaag, neerslachtig;

(noun) dons, fijne veren;

(verb) neerslaan, omverwerpen

Voorbeeld:

The ball rolled down the hill.
De bal rolde de heuvel af.

up

/ʌp/

(adverb) omhoog, naar boven, rechtop;

(adjective) goed, in orde;

(verb) stijgen, omhooggaan;

(noun) stijging, toename

Voorbeeld:

He looked up at the sky.
Hij keek omhoog naar de lucht.

underground

/ˈʌn.dɚ.ɡraʊnd/

(adverb) ondergronds, clandestien;

(noun) metro, ondergrondse, verzetsbeweging;

(adjective) ondergronds, underground, alternatief

Voorbeeld:

The miners work underground.
De mijnwerkers werken ondergronds.

among

/əˈmʌŋ/

(preposition) tussen, onder, uit

Voorbeeld:

He was standing among the trees.
Hij stond tussen de bomen.

into

/ˈɪn.tuː/

(preposition) in, naar

Voorbeeld:

She walked into the room.
Ze liep de kamer in.

onto

/ˈɑːn.tu/

(preposition) op, naar, begrijpen

Voorbeeld:

The cat jumped onto the table.
De kat sprong op de tafel.

off

/ɑːf/

(adverb) van, af, vrij;

(adjective) uit, afgesloten, afgelast;

(preposition) van, af

Voorbeeld:

The cat jumped off the table.
De kat sprong van de tafel.

close

/kloʊz/

(verb) sluiten, dichtdoen, afsluiten;

(adjective) dichtbij, nabij, nauwkeurig;

(adverb) dichtbij, nabij

Voorbeeld:

Please close the door when you leave.
Gelieve de deur te sluiten wanneer u vertrekt.

including

/ɪnˈkluː.dɪŋ/

(preposition) inclusief, met inbegrip van

Voorbeeld:

The price is $50, including tax.
De prijs is $50, inclusief belasting.

per

/pɝː/

(preposition) per

Voorbeeld:

The cost is $10 per person.
De kosten zijn $10 per persoon.

plus

/plʌs/

(preposition) plus, en;

(noun) pluspunt, voordeel;

(adverb) bovendien, daarbij;

(adjective) plus, positief

Voorbeeld:

Two plus two is four.
Twee plus twee is vier.

till

/tɪl/

(preposition) tot;

(conjunction) totdat;

(noun) kassa, geldlade;

(verb) bewerken, ploegen

Voorbeeld:

Let's wait till tomorrow.
Laten we wachten tot morgen.

toward

/tɔːrd/

(preposition) naar, richting, ten opzichte van

Voorbeeld:

She walked toward the door.
Ze liep naar de deur.

unlike

/ʌnˈlaɪk/

(preposition) in tegenstelling tot, anders dan;

(adjective) ongebruikelijk voor, niet typerend voor

Voorbeeld:

Unlike his brother, he is very shy.
In tegenstelling tot zijn broer is hij erg verlegen.

via

/ˈvaɪə/

(preposition) via, door middel van

Voorbeeld:

We flew to London via Paris.
We vlogen naar Londen via Parijs.

without

/wɪˈðaʊt/

(preposition) zonder;

(adverb) buiten

Voorbeeld:

She left without saying goodbye.
Ze vertrok zonder afscheid te nemen.

badly

/ˈbæd.li/

(adverb) ernstig, slecht, onvoldoende

Voorbeeld:

He was badly injured in the accident.
Hij raakte ernstig gewond bij het ongeluk.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland