Vocabulaireverzameling B1 - Bijvoeglijke naamwoorden 2 in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B1 - Bijvoeglijke naamwoorden 2' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) duidelijk, evident, klaar
Voorbeeld:
(adjective) vreemd, raar, oneven
Voorbeeld:
(adjective) officieel, ambtelijk, erkend;
(noun) functionaris, ambtenaar
Voorbeeld:
(adjective) ouderwets, verouderd
Voorbeeld:
(adjective) buiten, openlucht
Voorbeeld:
(adjective) krachtig, machtig, sterk
Voorbeeld:
(adjective) vorig, voorgaand
Voorbeeld:
(adjective) primair, hoofd-, oorspronkelijk;
(noun) voorverkiezing, primaire verkiezing
Voorbeeld:
(adjective) zeldzaam, ongewoon, rood
Voorbeeld:
(adjective) relatief, vergelijkend, gerelateerd;
(noun) familielid, verwant
Voorbeeld:
(adjective) ruw, oneffen, hard;
(adverb) ruw, hardhandig;
(noun) moeilijkheid, tegenslag
Voorbeeld:
(adjective) wetenschappelijk
Voorbeeld:
(adjective) secundair, ondergeschikt, middelbaar
Voorbeeld:
(adjective) seksueel, geslachtelijk, erotisch
Voorbeeld:
(adjective) scherp, intens, intelligent;
(adverb) stipt, scherp;
(noun) kruis
Voorbeeld:
(adjective) stil, zwijgend, stilzwijgend
Voorbeeld:
(adjective) glad, egaal, soepel;
(verb) gladstrijken, egaliseren, verzachten;
(adverb) soepel, glad
Voorbeeld:
(adjective) zuidelijk, Zuidelijk, van het zuiden
Voorbeeld:
(adjective) gesproken, mondeling;
(past participle) gesproken
Voorbeeld:
(noun) standaard, niveau, vaandel;
(adjective) standaard, normaal
Voorbeeld:
(adverb) nog steeds, nog, toch;
(adjective) stil, onbeweeglijk;
(noun) stilstaand beeld, foto;
(verb) kalmeren, tot rust brengen
Voorbeeld:
(adjective) geschikt, passend
Voorbeeld:
(adjective) super, geweldig;
(adverb) super, extreem;
(prefix) boven, over, voorbij
Voorbeeld:
(adjective) zeker, vaststaand, overtuigd;
(adverb) zeker, inderdaad;
(exclamation) zeker, natuurlijk
Voorbeeld:
(noun) totaal, som;
(adjective) totaal, geheel, volledig;
(verb) bedragen, optellen tot
Voorbeeld:
(adjective) onwaarschijnlijk, onwaarschijnlijke
Voorbeeld:
(verb) van streek maken, ontroeren, omstoten;
(adjective) van streek, boos, overstuur;
(noun) verrassing, omwenteling
Voorbeeld:
(adjective) gewend, gebruikt, tweedehands;
(past participle) gebruikte, gebruikt;
(modal verb) vroeger, gewoon zijn
Voorbeeld:
(adjective) waardevol, kostbaar, nuttig
Voorbeeld:
(adjective) westelijk, westers;
(noun) western
Voorbeeld:
(adjective) schriftelijk, geschreven;
(past participle) geschreven
Voorbeeld:
(adjective) specifiek, bepaald, specifiek voor
Voorbeeld:
(adjective) stevig, vast, standvastig;
(noun) bedrijf, firma;
(verb) verstevigen, harder maken
Voorbeeld:
(adjective) attent, bedachtzaam, nadenkend
Voorbeeld:
(noun) midden;
(adverb) midden;
(adjective) midden, middelste
Voorbeeld: