Avatar of Vocabulary Set A2 - Wetenschap en de Natuurlijke Wereld

Vocabulaireverzameling A2 - Wetenschap en de Natuurlijke Wereld in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Wetenschap en de Natuurlijke Wereld' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

atom

/ˈæt̬.əm/

(noun) atoom, spoortje, kleinste beetje

Voorbeeld:

Water is made up of hydrogen and oxygen atoms.
Water bestaat uit waterstof- en zuurstofatomen.

organism

/ˈɔːr-/

(noun) organisme, levensvorm, systeem

Voorbeeld:

Bacteria are single-celled organisms.
Bacteriën zijn eencellige organismen.

chemical

/ˈkem.ɪ.kəl/

(noun) chemische stof, chemisch product;

(adjective) chemisch

Voorbeeld:

The factory produces various industrial chemicals.
De fabriek produceert verschillende industriële chemicaliën.

gas

/ɡæs/

(noun) gas, benzine, brandstof;

(verb) gas geven, tanken

Voorbeeld:

Natural gas is used for heating homes.
Aardgas wordt gebruikt voor het verwarmen van huizen.

liquid

/ˈlɪk.wɪd/

(noun) vloeistof;

(adjective) vloeibaar, liquide, contant

Voorbeeld:

Water is a clear liquid.
Water is een heldere vloeistof.

solid

/ˈsɑː.lɪd/

(adjective) vast, massief, solide;

(noun) vaste stof, vaste delen;

(adverb) effen, stevig

Voorbeeld:

The ice was solid enough to walk on.
Het ijs was stevig genoeg om op te lopen.

material

/məˈtɪr.i.əl/

(noun) materiaal, stof, informatie;

(adjective) materieel, stoffelijk

Voorbeeld:

The dress was made of a soft, flowing material.
De jurk was gemaakt van een zachte, vloeiende stof.

substance

/ˈsʌb.stəns/

(noun) stof, substantie, materie

Voorbeeld:

Water is a common substance.
Water is een veelvoorkomende stof.

electric

/ɪˈlek.trɪk/

(adjective) elektrisch, geladen, opwindend

Voorbeeld:

She bought a new electric car.
Ze kocht een nieuwe elektrische auto.

real

/ˈriː.əl/

(adjective) echt, werkelijk, oprecht;

(adverb) echt, erg

Voorbeeld:

Is this a real diamond or a fake?
Is dit een echte diamant of een neppe?

systematic

/ˌsɪs.təˈmæt̬.ɪk/

(adjective) systematisch, methodisch, regelmatig

Voorbeeld:

The police conducted a systematic search of the area.
De politie voerde een systematische zoektocht uit in het gebied.

metal

/ˈmet̬.əl/

(noun) metaal, metal, heavy metal;

(verb) metalen, bekleden met metaal

Voorbeeld:

The sculpture was made of polished metal.
Het beeld was gemaakt van gepolijst metaal.

plastic

/ˈplæs.tɪk/

(noun) plastic;

(adjective) plastic, plastisch, buigzaam

Voorbeeld:

Many everyday items are made of plastic.
Veel alledaagse voorwerpen zijn gemaakt van plastic.

iron

/aɪrn/

(noun) ijzer, strijkijzer;

(verb) strijken;

(adjective) ijzeren

Voorbeeld:

The bridge was built with steel and iron.
De brug werd gebouwd met staal en ijzer.

gold

/ɡoʊld/

(noun) goud, goudkleur;

(adjective) gouden, goudkleurig, goud

Voorbeeld:

The ring is made of pure gold.
De ring is gemaakt van puur goud.

silver

/ˈsɪl.vɚ/

(noun) zilver, zilvergeld;

(adjective) zilver, zilverkleurig;

(verb) verziveren, met zilver bedekken

Voorbeeld:

The ring is made of pure silver.
De ring is gemaakt van puur zilver.

carbon

/ˈkɑːr.bən/

(noun) koolstof, carbonpapier

Voorbeeld:

Diamonds are a form of pure carbon.
Diamanten zijn een vorm van zuiver koolstof.

oxygen

/ˈɑːk.sɪ.dʒən/

(noun) zuurstof

Voorbeeld:

Humans need oxygen to breathe.
Mensen hebben zuurstof nodig om te ademen.

chemical element

/ˈkem.ɪ.kəl ˈel.ɪ.mənt/

(noun) chemisch element

Voorbeeld:

Oxygen is a common chemical element.
Zuurstof is een veelvoorkomend chemisch element.

stone

/stoʊn/

(noun) steen, pit;

(verb) ontpitten, ontstenen

Voorbeeld:

He threw a stone into the lake.
Hij gooide een steen in het meer.

research

/ˈriː.sɝːtʃ/

(noun) onderzoek, studie;

(verb) onderzoeken, bestuderen

Voorbeeld:

She is conducting research on climate change.
Zij doet onderzoek naar klimaatverandering.

method

/ˈmeθ.əd/

(noun) methode, werkwijze

Voorbeeld:

The scientific method involves observation, hypothesis, and experimentation.
De wetenschappelijke methode omvat observatie, hypothese en experimenten.

example

/ɪɡˈzæm.pəl/

(noun) voorbeeld, rolmodel

Voorbeeld:

This is a good example of modern architecture.
Dit is een goed voorbeeld van moderne architectuur.

invent

/ɪnˈvent/

(verb) uitvinden, bedenken, verzinnen

Voorbeeld:

Alexander Graham Bell invented the telephone.
Alexander Graham Bell vond de telefoon uit.

inventor

/ɪnˈven.t̬ɚ/

(noun) uitvinder

Voorbeeld:

Thomas Edison was a prolific inventor.
Thomas Edison was een productieve uitvinder.

discover

/dɪˈskʌv.ɚ/

(verb) ontdekken, vinden, erachter komen

Voorbeeld:

Scientists hope to discover a cure for cancer.
Wetenschappers hopen een geneesmiddel voor kanker te ontdekken.

discovery

/dɪˈskʌv.ɚ.i/

(noun) ontdekking, vondst

Voorbeeld:

The discovery of penicillin revolutionized medicine.
De ontdekking van penicilline bracht een revolutie teweeg in de geneeskunde.

lab

/læb/

(noun) lab, laboratorium, labrador

Voorbeeld:

The students conducted experiments in the science lab.
De studenten voerden experimenten uit in het wetenschapslab.

tool

/tuːl/

(noun) gereedschap, hulpmiddel, instrument;

(verb) uitrusten, voorzien van gereedschap

Voorbeeld:

He used a hammer as a tool to fix the broken chair.
Hij gebruikte een hamer als gereedschap om de kapotte stoel te repareren.

fact

/fækt/

(noun) feit, gegeven, informatie

Voorbeeld:

It's a well-known fact that the Earth revolves around the Sun.
Het is een bekend feit dat de aarde om de zon draait.

reason

/ˈriː.zən/

(noun) reden, oorzaak, rede;

(verb) redeneren, beredenen

Voorbeeld:

The reason for his absence was illness.
De reden voor zijn afwezigheid was ziekte.

technology

/tekˈnɑː.lə.dʒi/

(noun) technologie, apparatuur

Voorbeeld:

Advancements in technology have transformed our daily lives.
Vooruitgang in technologie heeft ons dagelijks leven getransformeerd.

data

/ˈdeɪ.t̬ə/

(noun) gegevens, data

Voorbeeld:

The company collects customer data to improve its services.
Het bedrijf verzamelt klantengegevens om zijn diensten te verbeteren.

focus

/ˈfoʊ.kəs/

(noun) focus, aandachtspunt, scherpte;

(verb) focussen, concentreren, scherpstellen

Voorbeeld:

The focus of the meeting was on budget cuts.
De focus van de vergadering lag op bezuinigingen.

sound

/saʊnd/

(noun) geluid, klank, zeestraat;

(verb) klinken, luiden, lijken;

(adjective) gezond, deugdelijk, verstandig;

(adverb) diep, grondig

Voorbeeld:

The sound of music filled the room.
Het geluid van muziek vulde de kamer.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland