Avatar of Vocabulary Set A2 - Gezondheid en Ziekte 2

Vocabulaireverzameling A2 - Gezondheid en Ziekte 2 in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Gezondheid en Ziekte 2' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

bad

/bæd/

(adjective) slecht, onaangenaam, ernstig;

(adverb) slecht, beroerd

Voorbeeld:

The food at that restaurant was really bad.
Het eten in dat restaurant was echt slecht.

sick

/sɪk/

(adjective) ziek, misselijk, geweldig;

(verb) overgeven, braken

Voorbeeld:

I feel sick, I think I ate something bad.
Ik voel me misselijk, ik denk dat ik iets verkeerds heb gegeten.

better

/ˈbet̬.ɚ/

(adjective) beter;

(adverb) beter;

(verb) verbeteren, overtreffen;

(noun) meerderen, superieuren

Voorbeeld:

This new model is much better than the old one.
Dit nieuwe model is veel beter dan het oude.

broken

/ˈbroʊ.kən/

(adjective) gebroken, kapot, geschonden;

(past participle) gebroken, verbroken

Voorbeeld:

The vase fell and was completely broken.
De vaas viel en was volledig gebroken.

serious

/ˈsɪr.i.əs/

(adjective) serieus, ernstig, zwaar

Voorbeeld:

This is a serious matter that requires our full attention.
Dit is een serieuze zaak die onze volledige aandacht vereist.

dangerous

/ˈdeɪn.dʒɚ.əs/

(adjective) gevaarlijk

Voorbeeld:

It's dangerous to walk alone at night in this area.
Het is gevaarlijk om 's nachts alleen te lopen in dit gebied.

appointment

/əˈpɔɪnt.mənt/

(noun) afspraak, benoeming, aanstelling

Voorbeeld:

I have a doctor's appointment at 3 PM.
Ik heb een doktersafspraak om 15.00 uur.

sickness

/ˈsɪk.nəs/

(noun) ziekte, aandoening, misselijkheid

Voorbeeld:

He was absent from work due to sickness.
Hij was afwezig van zijn werk vanwege ziekte.

pain

/peɪn/

(noun) pijn, leed, verdriet;

(verb) pijn doen, kwellen

Voorbeeld:

She felt a sharp pain in her leg.
Ze voelde een scherpe pijn in haar been.

accident

/ˈæk.sə.dənt/

(noun) ongeluk, ongeval, toeval

Voorbeeld:

He was involved in a car accident.
Hij was betrokken bij een auto-ongeluk.

injury

/ˈɪn.dʒər.i/

(noun) blessure, verwonding, schade

Voorbeeld:

He sustained a serious leg injury in the accident.
Hij liep een ernstige beenblessure op bij het ongeluk.

test

/test/

(noun) test, proef, toets;

(verb) testen, uitproberen, op de proef stellen

Voorbeeld:

The new software underwent rigorous tests before its release.
De nieuwe software onderging strenge tests voor de release.

examine

/ɪɡˈzæm.ɪn/

(verb) onderzoeken, inspecteren, bekijken

Voorbeeld:

The doctor will examine the patient thoroughly.
De dokter zal de patiënt grondig onderzoeken.

break

/breɪk/

(verb) breken, stukmaken, onderbreken;

(noun) pauze, onderbreking, uitbraak

Voorbeeld:

The glass will break if you drop it.
Het glas zal breken als je het laat vallen.

cut

/kʌt/

(verb) snijden, knippen, hakken;

(noun) snede, knippen, coupe;

(adjective) gesneden, geknipt

Voorbeeld:

She accidentally cut her finger while chopping vegetables.
Ze sneed per ongeluk haar vinger tijdens het snijden van groenten.

hurt

/hɝːt/

(verb) bezeren, pijn doen, kwetsen;

(noun) pijn, blessure, verdriet;

(adjective) gewond, bezeerd, gekwetst

Voorbeeld:

Did you hurt your knee when you fell?
Heb je je knie bezeerd toen je viel?

injure

/ˈɪn.dʒɚ/

(verb) verwonden, blesseren, kwetsen

Voorbeeld:

He injured his knee playing football.
Hij blessureerde zijn knie tijdens het voetballen.

hit

/hɪt/

(verb) slaan, raken, treffen;

(noun) slag, treffer, hit

Voorbeeld:

He accidentally hit his thumb with a hammer.
Hij sloeg per ongeluk zijn duim met een hamer.

see

/siː/

(verb) zien, waarnemen, begrijpen;

(noun) bisdom, zetel;

(exclamation) zie, begrijp

Voorbeeld:

Can you see the mountains from here?
Kun je de bergen van hier zien?

catch

/kætʃ/

(verb) vangen, grijpen, betrappen;

(noun) vangbal, vangspel, addertje onder het gras

Voorbeeld:

She managed to catch the ball with one hand.
Ze slaagde erin de bal met één hand te vangen.

prescribe

/prɪˈskraɪb/

(verb) voorschrijven, bepalen

Voorbeeld:

The doctor prescribed antibiotics for her infection.
De dokter schreef antibiotica voor haar infectie voor.

sneeze

/sniːz/

(verb) niezen;

(noun) nies

Voorbeeld:

The dust made her sneeze.
Het stof deed haar niezen.

cough

/kɑːf/

(verb) hoesten;

(noun) hoest

Voorbeeld:

He started to cough uncontrollably during the meeting.
Hij begon oncontroleerbaar te hoesten tijdens de vergadering.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland