Avatar of Vocabulary Set Kleding verzorgen

Vocabulaireverzameling Kleding verzorgen in Kleding en Mode: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Kleding verzorgen' in 'Kleding en Mode' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

clothes basket

/ˈkloʊðz ˌbæs.kɪt/

(noun) wasmand, kledingmand

Voorbeeld:

She put all the dirty towels in the clothes basket.
Ze deed alle vuile handdoeken in de wasmand.

clothes hanger

/ˈkloʊðz ˌhæŋ.ər/

(noun) kledinghanger, hanger

Voorbeeld:

Please hang your coat on the clothes hanger.
Hang je jas alsjeblieft aan de kledinghanger.

clothesline

/ˈkloʊðz.laɪn/

(noun) waslijn, clothesline (worstelbeweging);

(verb) clotheslinen

Voorbeeld:

She hung the wet laundry on the clothesline.
Ze hing de natte was aan de waslijn.

clothes horse

/ˈkloʊðz hɔːrs/

(noun) droogrek, wasrek, modefanaat

Voorbeeld:

She hung the wet laundry on the clothes horse.
Ze hing de natte was aan het droogrek.

clothes peg

/ˈkloʊðz ˌpeɡ/

(noun) wasknijper

Voorbeeld:

She hung the wet towels on the line with clothes pegs.
Ze hing de natte handdoeken aan de lijn met wasknijpers.

clothespin

/ˈkloʊðz.pɪn/

(noun) wasknijper, knijper

Voorbeeld:

She hung the wet clothes on the line with a clothespin.
Ze hing de natte kleren aan de lijn met een wasknijper.

coat hanger

/ˈkoʊt ˌhæŋ.ər/

(noun) kledinghanger, kleerhanger

Voorbeeld:

Please hang your jacket on the coat hanger.
Hang je jas alsjeblieft aan de kledinghanger.

laundry detergent

/ˈlɑːn.dri dɪˈtɜːr.dʒənt/

(noun) wasmiddel

Voorbeeld:

She added laundry detergent to the washing machine.
Ze voegde wasmiddel toe aan de wasmachine.

hamper

/ˈhæm.pɚ/

(noun) mand, wasmand;

(verb) belemmeren, hinderen

Voorbeeld:

She put all the dirty clothes into the laundry hamper.
Ze deed alle vuile kleren in de wasmand.

hanger

/ˈhæŋ.ɚ/

(noun) hanger, kledinghanger, ophanger

Voorbeeld:

Please put your coat on a hanger.
Hang je jas alsjeblieft aan een hanger.

ironing board

/ˈaɪər.nɪŋ ˌbɔːrd/

(noun) strijkplank

Voorbeeld:

She set up the ironing board in the living room.
Ze zette de strijkplank op in de woonkamer.

laundry basket

/ˈlɑːn.dri ˌbæs.kɪt/

(noun) wasmand

Voorbeeld:

Please put your dirty clothes in the laundry basket.
Doe je vuile kleren alsjeblieft in de wasmand.

air

/er/

(noun) lucht, sfeer, uitstraling;

(verb) uiten, uitzenden, ventileren

Voorbeeld:

The fresh air felt good after being indoors all day.
De frisse lucht voelde goed na de hele dag binnen te zijn geweest.

airing cupboard

/ˈerɪŋ ˌkʌbərd/

(noun) linnenkast, droogkast

Voorbeeld:

Please put the clean towels in the airing cupboard.
Leg de schone handdoeken alstublieft in de linnenkast.

peg

/peɡ/

(noun) pin, haak, plug;

(verb) vastzetten, bevestigen, ophangen

Voorbeeld:

She hung her coat on a wooden peg.
Ze hing haar jas aan een houten pin.

soap flakes

/ˈsoʊp ˌfleɪks/

(plural noun) zeepvlokken

Voorbeeld:

She added a handful of soap flakes to the warm water for delicate laundry.
Ze voegde een handvol zeepvlokken toe aan het warme water voor delicate was.

soap powder

/ˈsoʊp ˌpaʊ.dər/

(noun) waspoeder, zeep poeder

Voorbeeld:

She added a scoop of soap powder to the washing machine.
Ze voegde een schep waspoeder toe aan de wasmachine.

washboard

/ˈwɑːʃˌbɔːrd/

(noun) wasbord, wasbordbuik, strakke buikspieren

Voorbeeld:

Grandma still uses a washboard to clean delicate clothes.
Oma gebruikt nog steeds een wasbord om delicate kleding te wassen.

washing line

/ˈwɑː.ʃɪŋ ˌlaɪn/

(noun) waslijn

Voorbeeld:

She hung the wet laundry on the washing line.
Ze hing de natte was aan de waslijn.

washing powder

/ˈwɑː.ʃɪŋ ˌpaʊ.dər/

(noun) waspoeder

Voorbeeld:

I need to buy some more washing powder for the laundry.
Ik moet meer waspoeder kopen voor de was.

washing machine

/ˈwɑː.ʃɪŋ məˌʃiːn/

(noun) wasmachine

Voorbeeld:

I need to buy a new washing machine.
Ik moet een nieuwe wasmachine kopen.

dryer

/ˈdraɪ.ɚ/

(noun) droger, wasdroger, haardroger

Voorbeeld:

I need to put the wet clothes in the dryer.
Ik moet de natte kleren in de droger doen.

bleach

/bliːtʃ/

(noun) bleekmiddel, bleekwater;

(verb) bleken, ontkleuren

Voorbeeld:

Add a capful of bleach to the laundry to whiten the whites.
Voeg een dopje bleekmiddel toe aan de was om het wit witter te maken.

iron

/aɪrn/

(noun) ijzer, strijkijzer;

(verb) strijken;

(adjective) ijzeren

Voorbeeld:

The bridge was built with steel and iron.
De brug werd gebouwd met staal en ijzer.

wrinkled

/ˈrɪŋ.kəld/

(adjective) gerimpeld, verfrommeld;

(past participle) kreukelde, verfrommelde

Voorbeeld:

His face was old and wrinkled.
Zijn gezicht was oud en gerimpeld.

unload

/ʌnˈloʊd/

(verb) lossen, uitladen, ontladen

Voorbeeld:

They began to unload the truck.
Ze begonnen de vrachtwagen te lossen.

fold

/foʊld/

(verb) vouwen, opvouwen, failliet gaan;

(noun) vouw, kudde, groep

Voorbeeld:

She carefully folded the letter and put it in an envelope.
Ze vouwde de brief zorgvuldig op en stopte hem in een envelop.

cleaner's

/ˈkliː.nərz/

(noun) stomerij

Voorbeeld:

I need to pick up my suit from the cleaner's.
Ik moet mijn pak ophalen bij de stomerij.

drip-dry

/ˈdrɪp.draɪ/

(verb) druppelvrij drogen, strijkvrij drogen;

(adjective) druppelvrij, strijkvrij

Voorbeeld:

These shirts are made of a fabric that will drip-dry.
Deze overhemden zijn gemaakt van een stof die druppelvrij droogt.

dry-clean

/ˈdraɪ.kliːn/

(verb) stomen, chemisch reinigen

Voorbeeld:

I need to dry-clean this suit before the wedding.
Ik moet dit pak stomen voor de bruiloft.

hang up

/hæŋ ˈʌp/

(phrasal verb) ophangen

Voorbeeld:

Don't hang up on me!
Niet ophangen!

ironing

/ˈaɪr.nɪŋ/

(noun) strijken, strijkwerk;

(verb) strijken

Voorbeeld:

She spends an hour every Sunday doing the ironing.
Ze besteedt elke zondag een uur aan het strijken.

launder

/ˈlɑːn.dɚ/

(verb) wassen en strijken, wassen, witwassen

Voorbeeld:

She needs to launder her work uniforms every week.
Ze moet haar werkuniformen elke week wassen en strijken.

launderette

/ˌlɑːnˈdret/

(noun) wasserette, wasmachinerie

Voorbeeld:

I need to go to the launderette to wash my clothes.
Ik moet naar de wasserette om mijn kleren te wassen.

laundry

/ˈlɑːn.dri/

(noun) was, wasgoed, wasserette

Voorbeeld:

I need to do a load of laundry today.
Ik moet vandaag een lading was doen.

load

/loʊd/

(noun) lading, vracht, werkdruk;

(verb) laden, beladen, vullen

Voorbeeld:

The truck carried a heavy load of timber.
De vrachtwagen vervoerde een zware lading hout.

press

/pres/

(verb) drukken, persen, strijken;

(noun) pers, media, drukpers

Voorbeeld:

Press the button to start the machine.
Druk op de knop om de machine te starten.

washable

/ˈwɑː.ʃə.bəl/

(adjective) wasbaar

Voorbeeld:

This fabric is completely washable.
Deze stof is volledig wasbaar.

stained

/ -steɪnd/

(adjective) bevlekt, gekleurd;

(verb) bevlekken, beitsen

Voorbeeld:

The old tablecloth was heavily stained with wine.
Het oude tafelkleed was zwaar bevlekt met wijn.

clean

/kliːn/

(adjective) schoon, rein, zuiver;

(verb) schoonmaken, reinigen;

(adverb) schoon, helemaal

Voorbeeld:

Please make sure your hands are clean before dinner.
Zorg ervoor dat je handen schoon zijn voor het avondeten.

wet

/wet/

(adjective) nat, vochtig, regenachtig;

(verb) natmaken, bevochtigen

Voorbeeld:

My clothes got completely wet in the rain.
Mijn kleren werden helemaal nat in de regen.

dry

/draɪ/

(adjective) droog, dor, dorstig;

(verb) drogen

Voorbeeld:

The clothes are still dry.
De kleren zijn nog steeds droog.

dirty

/ˈdɝː.t̬i/

(adjective) vuil, vies, oneerlijk;

(verb) vuil maken, bevuilen

Voorbeeld:

His hands were dirty from working in the garden.
Zijn handen waren vuil van het werken in de tuin.

unravel

/ʌnˈræv.əl/

(verb) ontrafelen, uithalen, uitpluizen

Voorbeeld:

She carefully unraveled the tangled yarn.
Ze ontrafelde voorzichtig het verwarde garen.

unfold

/ʌnˈfoʊld/

(verb) uitvouwen, ontvouwen, onthullen

Voorbeeld:

She carefully unfolded the map.
Ze vouwde de kaart voorzichtig uit.

dry cleaner

/ˈdraɪ ˌkliː.nər/

(noun) stomerij

Voorbeeld:

I need to take my suit to the dry cleaner before the wedding.
Ik moet mijn pak naar de stomerij brengen voor de bruiloft.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland