Vocabulaireverzameling Basis 1 in Dag 28 - Klassiek: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Basis 1' in 'Dag 28 - Klassiek' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) gemeubileerd, ingericht
Voorbeeld:
(noun) residentie, woonplaats, verblijfplaats
Voorbeeld:
(adjective) ruim, spacieus
Voorbeeld:
(verb) draperen, hangen;
(noun) draperie, gordijn
Voorbeeld:
(adjective) onbezet, leeg, vrij
Voorbeeld:
(noun) renovatie, verbouwing
Voorbeeld:
(adjective) passend, geschikt;
(verb) toe-eigenen, aanwenden, toewijzen
Voorbeeld:
(verb) vertragen, uitstellen, aarzelen;
(noun) vertraging, uitstel
Voorbeeld:
(noun) gemeenschap, buurt, samenleving
Voorbeeld:
(noun) constructie, bouw, bouwwerk
Voorbeeld:
(verb) repareren, herstellen, gaan;
(noun) reparatie, herstel
Voorbeeld:
(adverb) momenteel, thans
Voorbeeld:
(adverb) regelmatig, vaak, gelijkmatig
Voorbeeld:
(verb) schikken, ordenen, regelen
Voorbeeld:
(noun) locatie, plek, locatiebepaling
Voorbeeld:
(verb) herstellen, terugbrengen, teruggeven
Voorbeeld:
(adverb) momenteel, nu, zo
Voorbeeld:
(adjective) talloos, talrijk
Voorbeeld:
(verb) verlaten, achterlaten, opgeven;
(noun) overgave, onbezonnenheid
Voorbeeld:
(noun) aannemer, contractant
Voorbeeld:
(verb) ontwikkelen, groeien, krijgen
Voorbeeld:
(verb) onderhouden, in stand houden, handhaven
Voorbeeld:
(adverb) dicht, compact, dichtbevolkt
Voorbeeld:
(verb) voorbereiden, klaarmaken, zich voorbereiden
Voorbeeld:
(adverb) eindelijk, uiteindelijk, tenslotte
Voorbeeld:
(noun) district, wijk, bestuurlijk district
Voorbeeld:
(noun) verlenging, vernieuwing, hervatting
Voorbeeld:
(adjective) verplicht, bindend
Voorbeeld:
(verb) ingrijpen, verstoren, zich bemoeien
Voorbeeld:
(noun) verplaatsing, verhuizing, herplaatsing
Voorbeeld:
(adverb) helemaal, volledig, absoluut
Voorbeeld:
(adverb) eigenlijk, inderdaad, echt
Voorbeeld:
(noun) architect, bedenker, ontwerper
Voorbeeld:
(verb) vergroten, uitbreiden
Voorbeeld:
(verb) installeren, plaatsen, aanstellen
Voorbeeld:
(adjective) permanent, blijvend, vast;
(noun) permanent, duurkrul
Voorbeeld:
(verb) veronderstellen, aannemen, moeten
Voorbeeld:
(adjective) aangrenzend, naastgelegen
Voorbeeld:
(verb) bestaan uit, zich samenstellen uit, liggen in
Voorbeeld:
(noun) bruikbaarheid, nut, nutsvoorzieningen;
(adjective) functioneel, praktisch
Voorbeeld: