Vocabulaireverzameling Basis 2 in Dag 27 - Vrienden en aandelen: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Basis 2' in 'Dag 27 - Vrienden en aandelen' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) uitdaging, uitnodiging tot strijd, moeilijkheid;
(verb) uitdagen, betwisten, in twijfel trekken
Voorbeeld:
(noun) comfort, gemak, troost;
(verb) troosten, comfort bieden
Voorbeeld:
(adjective) compact, dicht;
(noun) poederdoos, compact;
(verb) verdichten, samenpersen
Voorbeeld:
(noun) gegevens, data
Voorbeeld:
(noun) afstand, verte, reserve;
(verb) distantiëren, afstand nemen
Voorbeeld:
(adjective) elementair, fundamenteel, eenvoudig
Voorbeeld:
(adjective) extra, aanvullend;
(adverb) extra, buitengewoon;
(noun) extra, toeslag
Voorbeeld:
(noun) namaak, vervalsing;
(adjective) nep, vals, namaak;
(verb) faken, veinzen, simuleren
Voorbeeld:
(noun) gewricht, verbinding, voeg;
(adjective) gezamenlijk, gemeenschappelijk;
(verb) verbinden, samenvoegen
Voorbeeld:
(phrasal verb) luisteren naar
Voorbeeld:
(noun) mentor, raadgever;
(verb) mentoren, begeleiden
Voorbeeld:
(noun) netwerk, web, groep;
(verb) netwerken, verbinden
Voorbeeld:
(adjective) ontspannend, rustgevend
Voorbeeld:
(noun) huurauto
Voorbeeld:
(adjective) enkel, enig, alleenstaand;
(noun) enkel, eenpersoons;
(verb) een honkslag slaan
Voorbeeld:
(adverb) spoedig, binnenkort, eerder
Voorbeeld:
(noun) vlek, stip, plek;
(verb) zien, opmerken
Voorbeeld:
(noun) nauwkeurigheid, precisie
Voorbeeld:
(noun) doel, streven, doelpunt
Voorbeeld:
(verb) verliezen, kwijtraken
Voorbeeld:
(noun) eigenaar, bezitter
Voorbeeld:
(adjective) risicovol, gevaarlijk
Voorbeeld:
(adverb) enigszins, tamelijk
Voorbeeld:
(adjective) strak, vast, dicht;
(adverb) strak, stevig, vast
Voorbeeld:
(adverb) echt, waarlijk, werkelijk
Voorbeeld:
(adjective) gebruikelijk, gewoon, normaal
Voorbeeld:
(verb) wachten, klaarstaan;
(noun) wachttijd, wacht
Voorbeeld:
(verb) zich zorgen maken, verontrusten, lastigvallen;
(noun) zorgen, bezorgdheid
Voorbeeld: