Vocabulaireverzameling Basis 1 in Dag 25 - Autorijden: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Basis 1' in 'Dag 25 - Autorijden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) opstopping, congestie, verstopping
Voorbeeld:
(verb) verlichten, verzachten, verminderen
Voorbeeld:
(verb) omleiden, afleiden, distraheren
Voorbeeld:
(noun) omweg;
(verb) omrijden, een omweg maken
Voorbeeld:
(noun) brandstof, voeding, stimulans;
(verb) tanken, van brandstof voorzien, aanwakkeren
Voorbeeld:
(noun) storing, defect, malfunctie;
(verb) haperen, niet goed functioneren
Voorbeeld:
(noun) vergunning, toestemming;
(verb) toestaan, vergunnen
Voorbeeld:
(noun) vervoer, transport
Voorbeeld:
(noun) kans, gelegenheid
Voorbeeld:
(adverb) duidelijk, helder, klaarblijkelijk
Voorbeeld:
(adjective) lopend, voortdurend
Voorbeeld:
(adjective) gedetailleerd, uitgebreid
Voorbeeld:
(adjective) alternatief, ander;
(noun) alternatief, keuze
Voorbeeld:
(verb) verkrijgen, krijgen, gelden
Voorbeeld:
(adjective) aangewezen, benoemd, bestemd
Voorbeeld:
(noun) kruising, snijpunt, kruispunt
Voorbeeld:
(verb) uitrusten, voorzien, bekwamen
Voorbeeld:
(verb) forenzen, pendelen, omzetten;
(noun) woon-werkverkeer, forenzenreis
Voorbeeld:
(adverb) naar het centrum, in het centrum;
(noun) centrum, binnenstad;
(adjective) centraal, binnenstedelijk
Voorbeeld:
(adjective) automotive, auto-
Voorbeeld:
(noun) sluiting, afsluiting, verwerking
Voorbeeld:
(noun) voertuig, rijtuig, middel
Voorbeeld:
(noun) platform, perron, programma
Voorbeeld:
(adjective) officieel, ambtelijk, erkend;
(noun) functionaris, ambtenaar
Voorbeeld:
(noun) openbaar vervoer, transit, doorvoer;
(verb) doorvoeren, doorkruisen
Voorbeeld:
(noun) tarief, prijs, kost;
(verb) presteren, gaan
Voorbeeld:
(noun) uitgave, kosten, uitgaven
Voorbeeld:
(noun) vertrouwen, trust, fiducie;
(verb) vertrouwen, toevertrouwen, aanvertrouwen
Voorbeeld:
(noun) hoofd, kop, leider;
(verb) gaan, zich begeven, leiden;
(adjective) hoofd, voorste
Voorbeeld:
(verb) rijden, besturen, drijven;
(noun) rit, autorit, drang
Voorbeeld:
(adjective) fijn, uitstekend, goed;
(noun) boete, geldstraf;
(verb) beboeten, een boete opleggen;
(adverb) prima, goed
Voorbeeld:
(verb) passeren, voorbijgaan, slagen;
(noun) voldoende, geslaagd, pas
Voorbeeld:
(adverb) veilig, goed, stevig
Voorbeeld:
(adverb) prominent, opvallend, duidelijk
Voorbeeld:
(adjective) gereserveerd, terughoudend, besproken
Voorbeeld:
(noun) gemiddelde, doorsnee;
(adjective) gemiddeld, doorsnee;
(verb) gemiddeld zijn, een gemiddelde bereiken
Voorbeeld:
(noun) botsing, aanrijding, conflict
Voorbeeld:
(verb) slepen, trekken;
(noun) sleep, trekdienst, trek
Voorbeeld:
(verb) achteruitrijden, omkeren, terugdraaien;
(noun) achterkant, tegenovergestelde, omgekeerde;
(adjective) omgekeerd, achteruit
Voorbeeld:
(verb) blokkeren, belemmeren, versperren
Voorbeeld: