Avatar of Vocabulary Set Basis 2

Vocabulaireverzameling Basis 2 in Dag 21 - Bedrijfscompetitie: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Basis 2' in 'Dag 21 - Bedrijfscompetitie' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

branch

/bræntʃ/

(noun) tak, filiaal, vestiging;

(verb) vertakken, splitsen

Voorbeeld:

The bird landed on a high branch.
De vogel landde op een hoge tak.

critic

/ˈkrɪt̬.ɪk/

(noun) criticus, recensent, beoordelaar

Voorbeeld:

The play received harsh reviews from the critics.
Het toneelstuk kreeg harde recensies van de critici.

end up

/end ʌp/

(phrasal verb) belanden, terechtkomen, uiteindelijk doen

Voorbeeld:

We ended up staying at a cheap motel.
We belandden in een goedkoop motel.

in the past

/ɪn ðə pæst/

(phrase) in het verleden, vroeger

Voorbeeld:

In the past, people used to travel by horse and carriage.
In het verleden reisden mensen met paard en wagen.

indoors

/ˌɪnˈdɔːrz/

(adverb) binnen, naar binnen

Voorbeeld:

It's raining, so let's go indoors.
Het regent, dus laten we naar binnen gaan.

inward

/ˈɪn.wɚd/

(adjective) naar binnen, inwaarts, innerlijk;

(adverb) naar binnen, inwaarts

Voorbeeld:

The door opens inward.
De deur opent naar binnen.

lean

/liːn/

(verb) leunen, hellen, leunen op;

(adjective) slank, mager, schaars

Voorbeeld:

He had to lean forward to hear what she was saying.
Hij moest naar voren leunen om te horen wat ze zei.

lift

/lɪft/

(verb) optillen, opheffen, intrekken;

(noun) lift, heftoestel, rit

Voorbeeld:

She helped him lift the heavy box.
Ze hielp hem de zware doos optillen.

partnership

/ˈpɑːrt.nɚ.ʃɪp/

(noun) partnerschap, vennootschap, samenwerking

Voorbeeld:

They formed a partnership to develop new software.
Ze vormden een partnerschap om nieuwe software te ontwikkelen.

plaza

/ˈplɑː.zə/

(noun) plein, winkelcentrum

Voorbeeld:

We met at the main plaza in the city center.
We ontmoetten elkaar op het centrale plein in het stadscentrum.

relax

/rɪˈlæks/

(verb) ontspannen, tot rust komen, versoepelen

Voorbeeld:

After a long day, I like to relax with a good book.
Na een lange dag, vind ik het fijn om te ontspannen met een goed boek.

staff

/stæf/

(noun) personeel, staf, stok;

(verb) bemannen, personeel leveren

Voorbeeld:

The hospital staff worked tirelessly during the pandemic.
Het ziekenhuispersoneel werkte onvermoeibaar tijdens de pandemie.

stretch

/stretʃ/

(verb) strekken, uitrekken, rekken;

(noun) rek, strekking, stuk

Voorbeeld:

She woke up and began to stretch her arms above her head.
Ze werd wakker en begon haar armen boven haar hoofd te strekken.

switch

/swɪtʃ/

(noun) schakelaar, verandering, overstap;

(verb) omschakelen, wisselen, aan-/uitzetten

Voorbeeld:

Flip the switch to turn on the light.
Zet de schakelaar om om het licht aan te doen.

as long as

/æz lɔŋ æz/

(conjunction) zolang, mits, zolang als

Voorbeeld:

You can go out as long as you finish your homework.
Je mag uitgaan zolang je je huiswerk afmaakt.

correctly

/kəˈrekt.li/

(adverb) correct, juist

Voorbeeld:

Please spell my name correctly.
Spel mijn naam alstublieft correct.

expressly

/ɪkˈspres.li/

(adverb) uitdrukkelijk, speciaal, expliciet

Voorbeeld:

The document was created expressly for this project.
Het document is uitdrukkelijk voor dit project gemaakt.

fever

/ˈfiː.vɚ/

(noun) koorts, opwinding

Voorbeeld:

The child had a high fever and was restless.
Het kind had hoge koorts en was onrustig.

founder

/ˈfaʊn.dɚ/

(noun) oprichter, stichter;

(verb) mislukken, stranden, zinken

Voorbeeld:

The founder of the company retired after 30 years.
De oprichter van het bedrijf ging na 30 jaar met pensioen.

in spite of

/ɪn spaɪt ʌv/

(phrase) ondanks, niettegenstaande

Voorbeeld:

In spite of the rain, we went for a walk.
Ondanks de regen gingen we wandelen.

individual

/ˌɪn.dəˈvɪdʒ.u.əl/

(noun) individu, persoon;

(adjective) individueel, afzonderlijk, uniek

Voorbeeld:

Every individual has the right to express their opinion.
Elk individu heeft het recht om zijn mening te uiten.

ironing

/ˈaɪr.nɪŋ/

(noun) strijken, strijkwerk;

(verb) strijken

Voorbeeld:

She spends an hour every Sunday doing the ironing.
Ze besteedt elke zondag een uur aan het strijken.

minor

/ˈmaɪ.nɚ/

(adjective) klein, gering, onbelangrijk;

(noun) minderjarige

Voorbeeld:

It's only a minor problem.
Het is maar een klein probleem.

poorly

/ˈpʊr.li/

(adverb) slecht, inferieur, arm

Voorbeeld:

He performed poorly on the exam.
Hij presteerde slecht op het examen.

region

/ˈriː.dʒən/

(noun) regio, gebied, streek

Voorbeeld:

The Amazon region is known for its biodiversity.
Het Amazonegebied staat bekend om zijn biodiversiteit.

sharply

/ˈʃɑːrp.li/

(adverb) scherp, acuut, plotseling

Voorbeeld:

The knife was sharpened sharply.
Het mes werd scherp geslepen.

surface

/ˈsɝː-/

(noun) oppervlak, buitenkant, uiterlijk;

(verb) boven water komen, opduiken, asfalteren

Voorbeeld:

The surface of the table was smooth.
Het oppervlak van de tafel was glad.

unit

/ˈjuː.nɪt/

(noun) eenheid, individu, maatstaf

Voorbeeld:

Each unit in the apartment complex has its own balcony.
Elke eenheid in het appartementencomplex heeft een eigen balkon.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland