Vocabulaireverzameling 800 punten in Dag 13 - De klant is koning: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling '800 punten' in 'Dag 13 - De klant is koning' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(phrase) een brood, een heel brood
Voorbeeld:
(noun) affaire, zaak, gebeurtenis
Voorbeeld:
(noun) gangpad, pad
Voorbeeld:
(verb) irriteren, ergeren, storen
Voorbeeld:
(phrase) kosteloos, gratis
Voorbeeld:
(phrase) zonder extra kosten, kosteloos
Voorbeeld:
(phrase) in gesprek zijn, bezig zijn met een ander gesprek
Voorbeeld:
(adjective) ceremonieel, plechtig
Voorbeeld:
(phrase) voor je eigen veiligheid
Voorbeeld:
(phrasal verb) opvolgen, vervolgen
Voorbeeld:
(phrase) een vervanging krijgen, een vervanger vinden
Voorbeeld:
(adjective) handheld, draagbaar;
(noun) handheld, zakcomputer
Voorbeeld:
(phrasal verb) gaan naar, afstevenen op
Voorbeeld:
(idiom) standhouden, vasthouden aan, aan de lijn blijven
Voorbeeld:
(phrase) om zeker te zijn, voor de zekerheid
Voorbeeld:
(noun) restjes, overblijfselen, overblijfsel;
(adjective) overgebleven, restant
Voorbeeld:
(phrase) de handleiding doorlezen, de handleiding raadplegen
Voorbeeld:
(phrase) bij levering
Voorbeeld:
(noun) apotheker
Voorbeeld:
(noun) potentiële klant
Voorbeeld:
(adjective) vooruitbetaald, prepaid
Voorbeeld:
(noun) vragenlijst, enquête
Voorbeeld:
(verb) herinneren, terugroepen, intrekken;
(noun) herinnering, terugroeping, terugroepactie
Voorbeeld:
(phrase) terugbellen, een telefoontje beantwoorden
Voorbeeld:
(adverb) belachelijk, absurd, extreem
Voorbeeld:
(phrasal verb) terugbrengen, teruggeven, terugnemen
Voorbeeld:
(verb) problemen oplossen, storingen verhelpen
Voorbeeld:
(noun) melodie, deun, stemming;
(verb) stemmen, afstemmen, instellen
Voorbeeld:
(noun) kledingkast, garderobekast, garderobe
Voorbeeld:
(adjective) waterbestendig, waterafstotend
Voorbeeld:
(adjective) ongunstig, nadelig, schadelijk
Voorbeeld:
(noun) ruzie, discussie, geschil
Voorbeeld:
(phrase) zoals gevraagd, volgens verzoek
Voorbeeld:
(noun) gebrek, fout, defect;
(verb) overlopen, deserteren
Voorbeeld:
(adjective) ontmoedigend
Voorbeeld:
(noun) escorte, begeleider;
(verb) begeleiden, eskorteren
Voorbeeld:
(noun) buitenkant, exterieur, uiterlijk;
(adjective) extern, buiten-
Voorbeeld:
(adverb) verder, meer;
(adjective) verder, additioneel;
(verb) bevorderen, stimuleren
Voorbeeld:
(phrasal verb) doorgaan, verdergaan, gebeuren
Voorbeeld:
(adverb) minzaam, vriendelijk, welwillend
Voorbeeld:
(adjective) ongemakkelijk, onhandig, ongelegen
Voorbeeld:
(adjective) onmiddellijk, direct, instant;
(noun) moment, ogenblik
Voorbeeld:
(noun) loyaliteit, trouw
Voorbeeld:
(phrasal verb) verwijzen naar, aanduiden, doorverwijzen naar
Voorbeeld:
(adverb) soepel, glad, vlot
Voorbeeld:
(preposition) in tegenstelling tot, anders dan;
(adjective) ongebruikelijk voor, niet typerend voor
Voorbeeld:
(adjective) gebruiksvriendelijk
Voorbeeld:
(adjective) levendig, helder, fel
Voorbeeld:
(adjective) bereid, willig, genegen
Voorbeeld:
(phrase) op verzoek van
Voorbeeld:
(noun) breuk, schade, hoeveelheid breuk
Voorbeeld:
(noun) compliment, lof;
(verb) complimenteren, loven
Voorbeeld:
(phrasal verb) bezuinigen, verminderen, terugsnoeien
Voorbeeld:
(adjective) defect, gebrekkig, foutief
Voorbeeld:
(noun) algemene bevolking, algemene afdeling (gevangenis)
Voorbeeld:
(phrase) een klacht indienen, klagen
Voorbeeld:
(phrase) een verzoek indienen, verzoeken
Voorbeeld:
(phrase) reageren, een antwoord geven
Voorbeeld:
(phrase) een afspraak maken
Voorbeeld:
(phrase) voldoen aan de normen, beantwoorden aan de standaarden
Voorbeeld:
(adverb) per ongeluk, abusievelijk
Voorbeeld:
(phrase) mensen van alle leeftijden, alle leeftijdsgroepen
Voorbeeld:
(phrase) een bericht plaatsen op, een aankondiging ophangen aan
Voorbeeld:
(noun) onderhoudsdepot, servicepunt
Voorbeeld:
(noun) vlek, beits, verf;
(verb) bevlekken, vlekken, beitsen
Voorbeeld:
(noun) spoor, teken, rest;
(verb) traceren, achterhalen, opsporen
Voorbeeld:
(phrasal verb) verslijten, uitputten, vermoeien
Voorbeeld:
(collocation) naar behoren werken, goed functioneren
Voorbeeld: