Vocabulaireverzameling Basis 1 in Dag 10 - Deskundige shoppers: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Basis 1' in 'Dag 10 - Deskundige shoppers' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) aankoop, koop, grip;
(verb) kopen, aanschaffen
Voorbeeld:
(noun) termijn, afbetaling, aflevering
Voorbeeld:
(adjective) betaalbaar, voordelig
Voorbeeld:
(adverb) precies, exact, inderdaad
Voorbeeld:
(noun) veiling;
(verb) veilen
Voorbeeld:
(adjective) authentiek, echt, betrouwbaar
Voorbeeld:
(verb) aanrekenen, in rekening brengen, aanklagen;
(noun) kosten, vergoeding, aanklacht
Voorbeeld:
(noun) aandacht, opmerking, kennisgeving;
(verb) opmerken, waarnemen
Voorbeeld:
(adjective) ervaren, deskundig
Voorbeeld:
(noun) instructie, aanwijzing, onderwijs
Voorbeeld:
(noun) expert, deskundige;
(adjective) deskundig, bekwaam
Voorbeeld:
(noun) garantie
Voorbeeld:
(noun) terugbetaling, restitutie;
(verb) terugbetalen, restitueren
Voorbeeld:
(noun) abonnee, inschrijver, donateur
Voorbeeld:
(noun) bezorging, levering, bevalling
Voorbeeld:
(noun) prijs, kosten, gevolg;
(verb) prijzen, waarderen, een prijs bepalen
Voorbeeld:
(noun) bon, kwitantie, ontvangst
Voorbeeld:
(verb) aanbieden, offreren, voorstellen;
(noun) aanbod, bod, aanbieding
Voorbeeld:
(adverb) voorzichtig, zorgvuldig, aandachtig
Voorbeeld:
(noun) voordeel, nut, profijt;
(verb) profiteren, voordeel trekken uit, ten goede komen
Voorbeeld:
(adverb) uitsluitend, exclusief
Voorbeeld:
(noun) beschrijving, omschrijving
Voorbeeld:
(adverb) relatief, vergeleken met
Voorbeeld:
(adjective) reserve, extra, mager;
(verb) missen, ontberen, sparen;
(noun) reserveonderdeel, reservewiel
Voorbeeld:
(noun) voorbereiding, gereedmaken, bereiding
Voorbeeld:
(noun) gebied, streek, oppervlakte
Voorbeeld:
(noun) ruiming, opruiming, goedkeuring
Voorbeeld:
(verb) veranderen, aanpassen
Voorbeeld:
(verb) solliciteren, aanvragen, aanbrengen
Voorbeeld:
(adverb) wederzijds, onderling
Voorbeeld:
(noun) methode, werkwijze
Voorbeeld:
(adjective) aanvaardbaar, acceptabel, toelaatbaar
Voorbeeld:
(noun) verlangen, wens, begeerte;
(verb) verlangen, wensen, begeerte hebben
Voorbeeld:
(adjective) inwisselbaar, verzilverbaar, verlosbaar
Voorbeeld:
(adverb) officieel, volgens de regels
Voorbeeld:
(noun) verbruik, consumptie, inname
Voorbeeld:
(verb) kwalificeren, in aanmerking komen, nuanceren
Voorbeeld:
(noun) stof, textiel, structuur
Voorbeeld:
(adjective) geldig, gegrond, redelijk
Voorbeeld:
(noun) verkoper, leverancier
Voorbeeld: