Vocabulaireverzameling Geld en zaken in Geavanceerde woordenschat voor TOEFL: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Geld en zaken' in 'Geavanceerde woordenschat voor TOEFL' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) in waarde dalen, afschrijven, kleineren
Voorbeeld:
(verb) fluctueren, schommelen, variëren
Voorbeeld:
(verb) storten, neerploffen, snel dalen;
(noun) val, daling
Voorbeeld:
(verb) zweven, stijgen, snel stijgen
Voorbeeld:
(noun) cabriolet, cabrio;
(adjective) convertibel, omzetbaar
Voorbeeld:
(adjective) deregulerend, regelgevend
Voorbeeld:
(adjective) extravagant, verkwistend, uitbundig
Voorbeeld:
(adjective) fiscaal, belasting-, financieel
Voorbeeld:
(noun) laissez-faire, vrijhandel;
(adjective) laissez-faire, vrijblijvend
Voorbeeld:
(adjective) achterstallig, over tijd, nodig
Voorbeeld:
(noun) alimentatie
Voorbeeld:
(plural noun) achterstallige betalingen, achterstand
Voorbeeld:
(noun) onderpand, zekerheid, nevenschade;
(adjective) neven-, bijkomend
Voorbeeld:
(noun) stimulans, prikkel, aansporing
Voorbeeld:
(noun) audit, controle;
(verb) auditen, controleren
Voorbeeld:
(phrasal verb) eruit springen, uitstappen, redden
Voorbeeld:
(noun) insolventie, onvermogen
Voorbeeld:
(noun) citaat, aangehaalde tekst, offerte
Voorbeeld:
(noun) gekraak, knarsen, crisis;
(verb) kraken, knarsen, verwerken
Voorbeeld:
(noun) deflatie, leegloop, ontluchting
Voorbeeld:
(noun) dividend, winstuitkering, deeltal
Voorbeeld:
(noun) hefboom, invloed, macht;
(verb) benutten, gebruikmaken van
Voorbeeld:
(noun) losgeld;
(verb) vrijkopen, loskopen
Voorbeeld:
(noun) subsidie, toelage
Voorbeeld:
(noun) tarief, douanerecht, prijslijst;
(verb) tariferen, belasten met douanerechten
Voorbeeld:
(noun) woeker
Voorbeeld:
(noun) liquiditeit, vloeibaarheid
Voorbeeld:
(noun) monetarisme
Voorbeeld:
(noun) stagflatie
Voorbeeld:
(noun) klantenkring, cliënteel
Voorbeeld:
(noun) conglomeraat, verzameling, mengsel;
(adjective) conglomeraat, samengesteld, gemengd;
(verb) conglomereren, samenvoegen, verzamelen
Voorbeeld:
(noun) dochteronderneming, filiaal;
(adjective) ondergeschikt, secundair
Voorbeeld:
(noun) infomercial, telereclame
Voorbeeld:
(noun) beperking, inkorting, vermindering
Voorbeeld:
(noun) makelaar, handelaar;
(verb) bemiddelen, regelen
Voorbeeld:
(noun) woekeraar, geldschieter
Voorbeeld:
(noun) tycoon, magnate, zakenmagnaat
Voorbeeld:
(noun) magnaat
Voorbeeld:
(adjective) meedogenloos, keihard
Voorbeeld: