Vocabulaireverzameling Activiteiten en gedragingen in SAT-woordenschat gerelateerd aan de geesteswetenschappen: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Activiteiten en gedragingen' in 'SAT-woordenschat gerelateerd aan de geesteswetenschappen' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) lokken, verleiden, aantrekken
Voorbeeld:
(verb) galvaniseren, prikkelen
Voorbeeld:
(verb) drijven, aanzetten, nopen
Voorbeeld:
(noun) spoor, uitloper;
(verb) aansporen, stimuleren, sporen
Voorbeeld:
(noun) drang, impuls, behoefte;
(verb) aansporen, aandringen, dringen
Voorbeeld:
(verb) overhalen, paaien, lokken
Voorbeeld:
(verb) overtuigen, overhalen, doen geloven
Voorbeeld:
(verb) ontraden, afhouden van
Voorbeeld:
(verb) rommelen, zich bezighouden met, dompelen
Voorbeeld:
(verb) gebruiken, eten, drinken
Voorbeeld:
(noun) onderneming, avontuur, risicovolle onderneming;
(verb) wagen, zich wagen aan, ondernemen
Voorbeeld:
(verb) emuleren, evenaren, imiteren
Voorbeeld:
(verb) nabootsen, imiteren, lijken op;
(noun) nabootser, imitator, nabootsing;
(adjective) nabootsend, imiterend
Voorbeeld:
(verb) imiteren, nabootsen, simuleren
Voorbeeld:
(verb) plagen, tergen, touperen;
(noun) plaaggeest, terger
Voorbeeld:
(verb) prikkelen, lekker maken, tarten
Voorbeeld:
(verb) verbergen, weerleggen, tegenspreken
Voorbeeld:
(verb) bombarderen, beschieten, bestoken
Voorbeeld:
(verb) op de loer liggen, schuilen, verborgen zijn
Voorbeeld:
(noun) neiging, 倾向, zin
Voorbeeld:
(noun) neiging, tendens, aanleg
Voorbeeld:
(noun) neiging, aanleg, geneigdheid
Voorbeeld:
(noun) temperament, aard
Voorbeeld:
(noun) gril, caprice
Voorbeeld:
(noun) ritueel, ceremonie, gewoonte;
(adjective) ritueel
Voorbeeld:
(noun) regime, kuur, behandeling
Voorbeeld:
(noun) hefboom, invloed, macht;
(verb) benutten, gebruikmaken van
Voorbeeld:
(noun) matigheid, gematigdheid, matiging
Voorbeeld:
(noun) gevoeligheid, responsiviteit, empathie
Voorbeeld:
(noun) ambivalentie, tweestrijd
Voorbeeld:
(noun) opvoeding
Voorbeeld:
(noun) oproer, tumult, lawaai
Voorbeeld:
(noun) routine, uit het hoofd leren
Voorbeeld:
(noun) schijn, uiterlijk
Voorbeeld:
(noun) behandeling, omgang, therapie
Voorbeeld:
(adjective) paranoïde;
(noun) paranoicus, paranoïde
Voorbeeld:
(adjective) competitief, concurrerend, strijdlustig
Voorbeeld:
(adjective) participatief, deelnemend
Voorbeeld:
(adjective) frenetiek, koortsachtig
Voorbeeld:
(adjective) luidruchtig, wanordelijk;
(noun) herrieschopper, vandaal
Voorbeeld:
(adjective) avontuurlijk, ondernemend
Voorbeeld:
(adjective) levendig, bruisend, helder
Voorbeeld:
(adjective) verslavend
Voorbeeld:
(adjective) impulsief, onbezonnen
Voorbeeld:
(adjective) spoedig, snel, efficiënt
Voorbeeld:
(adjective) stevig, levendig, snel
Voorbeeld:
(adjective) undercover, geheim;
(adverb) undercover, geheim
Voorbeeld:
(adjective) zittend, inactief, standvogel
Voorbeeld:
(adjective) tumultueus, roerig, turbulent
Voorbeeld:
(adjective) rustig, kalm;
(verb) kalmeren, verdoven
Voorbeeld:
(adjective) hectisch, druk
Voorbeeld:
(adjective) responsief, reagerend
Voorbeeld:
(adjective) praktisch, hands-on
Voorbeeld:
(verb) verknoeid, verprutst;
(adjective) verknoeid, verprutst
Voorbeeld:
(adjective) verkennend, exploratief
Voorbeeld:
(adjective) uitweidend, digressief
Voorbeeld:
(adjective) frivool, onbenullig, lichtzinnig
Voorbeeld:
(adverb) eigenhandig, alleen
Voorbeeld:
(adverb) rigoureus, strikt, grondig
Voorbeeld:
(adverb) strategisch
Voorbeeld:
(adjective) ontspannen, rustig, ongedwongen;
(adverb) rustig, ontspannen, ongedwongen
Voorbeeld:
(adverb) dwangmatig, compulsief
Voorbeeld:
(adverb) teder, zachtjes, liefdevol
Voorbeeld:
(adverb) ijverig, nauwgezet, opzettelijk
Voorbeeld: