Avatar of Vocabulary Set Programmeren

Vocabulaireverzameling Programmeren in Informatietechnologie: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Programmeren' in 'Informatietechnologie' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

programming language

/ˈproʊ.ɡræm.ɪŋ ˌlæŋ.ɡwɪdʒ/

(noun) programmeertaal

Voorbeeld:

Python is a popular programming language for data science.
Python is een populaire programmeertaal voor datawetenschap.

compiler

/kəmˈpaɪ.lɚ/

(noun) compiler

Voorbeeld:

The C++ compiler translated the source code into an executable program.
De C++ compiler vertaalde de broncode naar een uitvoerbaar programma.

interpreter

/ɪnˈtɝː.prə.t̬ɚ/

(noun) tolk, vertaler, interpreter (computer)

Voorbeeld:

The diplomat spoke through an interpreter.
De diplomaat sprak via een tolk.

debugger

/ˈdɛbʌɡər/

(noun) debugger, foutopsporingsprogramma

Voorbeeld:

The developer used a debugger to identify the source of the software crash.
De ontwikkelaar gebruikte een debugger om de oorzaak van de softwarecrash te achterhalen.

algorithm

/ˈæl.ɡə.rɪ.ðəm/

(noun) algoritme

Voorbeeld:

The search engine uses a complex algorithm to rank websites.
De zoekmachine gebruikt een complex algoritme om websites te rangschikken.

data type

/ˈdeɪtə taɪp/

(noun) datatype

Voorbeeld:

In programming, an integer is a common data type.
In programmeren is een geheel getal een veelvoorkomend datatype.

variable

/ˈver.i.ə.bəl/

(adjective) variabel, veranderlijk;

(noun) variabele

Voorbeeld:

The weather here is highly variable.
Het weer hier is zeer variabel.

constant

/ˈkɑːn.stənt/

(adjective) constant, voortdurend, onveranderlijk;

(noun) constante

Voorbeeld:

The machine makes a constant humming noise.
De machine maakt een constant zoemend geluid.

operator

/ˈɑː.pə.reɪ.t̬ɚ/

(noun) operator, bediener, bedrijf

Voorbeeld:

The crane operator carefully lifted the heavy beam.
De kraanmachinist tilde de zware balk voorzichtig op.

expression

/ɪkˈspreʃ.ən/

(noun) uitdrukking, expressie, zegswijze

Voorbeeld:

Art is a form of self-expression.
Kunst is een vorm van zelfexpressie.

statement

/ˈsteɪt.mənt/

(noun) verklaring, uitspraak, afschrift

Voorbeeld:

The witness gave a detailed statement to the police.
De getuige gaf een gedetailleerde verklaring aan de politie.

function

/ˈfʌŋk.ʃən/

(noun) functie, doel, bijeenkomst;

(verb) functioneren, werken

Voorbeeld:

The main function of the heart is to pump blood.
De belangrijkste functie van het hart is het pompen van bloed.

class

/klæs/

(noun) klas, les, cursus;

(verb) indelen, classificeren;

(adjective) stijlvol, chic

Voorbeeld:

The teacher greeted the class.
De leraar begroette de klas.

object

/ˈɑːb.dʒɪkt/

(noun) voorwerp, object, doel;

(verb) bezwaar maken, tegenwerpen

Voorbeeld:

She picked up a strange object from the ground.
Ze raapte een vreemd voorwerp van de grond op.

inheritance

/ɪnˈher.ɪ.təns/

(noun) erfenis, nalatenschap, overerving

Voorbeeld:

She received a large inheritance from her grandmother.
Ze ontving een grote erfenis van haar grootmoeder.

polymorphism

/ˌpɑː.liˈmɔːr.fɪ.zəm/

(noun) polymorfisme, veelvormigheid

Voorbeeld:

Genetic polymorphism is common in human populations.
Genetisch polymorfisme is gebruikelijk in menselijke populaties.

encapsulation

/ɪnˌkæp.sjəˈleɪ.ʃən/

(noun) inkapseling, omhulling, encapsulatie

Voorbeeld:

The drug requires special encapsulation for targeted delivery.
Het medicijn vereist speciale inkapseling voor gerichte afgifte.

abstraction

/æbˈstræk.ʃən/

(noun) abstractie, onstoffelijkheid, abstractieproces

Voorbeeld:

His philosophy often delves into the realm of pure abstraction.
Zijn filosofie duikt vaak in het rijk van pure abstractie.

loop

/luːp/

(noun) lus, kring, loop;

(verb) lussen, een lus maken, loopen

Voorbeeld:

Tie the rope into a loop.
Knoop het touw in een lus.

array

/əˈreɪ/

(noun) verzameling, scala, reeks;

(verb) opstellen, schikken, ordenen

Voorbeeld:

There was a vast array of books in the library.
Er was een enorme verzameling boeken in de bibliotheek.

list

/lɪst/

(noun) lijst;

(verb) lijsten, opsommen

Voorbeeld:

Make a shopping list before you go to the store.
Maak een boodschappenlijst voordat je naar de winkel gaat.

queue

/kjuː/

(noun) rij, wachtrij;

(verb) in de rij staan, wachten

Voorbeeld:

There was a long queue for tickets.
Er stond een lange rij voor kaartjes.

stack

/stæk/

(noun) stapel, boel, berg;

(verb) stapelen

Voorbeeld:

He placed the books in a neat stack on the table.
Hij legde de boeken in een nette stapel op tafel.

pointer

/ˈpɔɪn.t̬ɚ/

(noun) aanwijsstok, pointer, tip

Voorbeeld:

The teacher used a pointer to highlight the important parts of the diagram.
De leraar gebruikte een aanwijsstok om de belangrijke delen van het diagram te markeren.

recursion

/rɪˈkɝː.ʒən/

(noun) recursie, zelfdefinitie

Voorbeeld:

The function uses recursion to calculate the factorial of a number.
De functie gebruikt recursie om de faculteit van een getal te berekenen.

graph

/ɡræf/

(noun) grafiek, diagram;

(verb) grafisch weergeven, plotten

Voorbeeld:

The report included a graph showing sales trends over the last quarter.
Het rapport bevatte een grafiek die de verkooptrends van het laatste kwartaal liet zien.

hashing

/ˈhæʃɪŋ/

(noun) hashing, hashen;

(verb) hakken, uitwerken

Voorbeeld:

Data hashing is crucial for ensuring data integrity and security.
Gegevens-hashing is cruciaal voor het waarborgen van gegevensintegriteit en -beveiliging.

heap

/hiːp/

(noun) stapel, hoop, boel;

(verb) stapelen, ophopen, overladen

Voorbeeld:

There was a heap of clothes on the floor.
Er lag een stapel kleren op de grond.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland