Avatar of Vocabulary Set Algemene financiële en economische terminologie

Vocabulaireverzameling Algemene financiële en economische terminologie in Financiën en Bankwezen: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Algemene financiële en economische terminologie' in 'Financiën en Bankwezen' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

interest

/ˈɪn.trɪst/

(noun) interesse, aandacht, rente;

(verb) interesseren, boeien

Voorbeeld:

She showed great interest in the new project.
Ze toonde grote interesse in het nieuwe project.

exchange rate

/ɪksˈtʃeɪndʒ reɪt/

(noun) wisselkoers

Voorbeeld:

The exchange rate between the dollar and the euro fluctuates daily.
De wisselkoers tussen de dollar en de euro fluctueert dagelijks.

inflation

/ɪnˈfleɪ.ʃən/

(noun) inflatie, opblazing, zwelling

Voorbeeld:

The country is experiencing high inflation.
Het land ervaart hoge inflatie.

deflation

/dɪˈfleɪ.ʃən/

(noun) deflatie, leegloop, ontluchting

Voorbeeld:

The country is currently experiencing a period of economic deflation.
Het land ervaart momenteel een periode van economische deflatie.

GDP

/ˌdʒiː.diːˈpiː/

(abbreviation) bbp, bruto binnenlands product

Voorbeeld:

The country's GDP grew by 3% last quarter.
Het bbp van het land groeide met 3% vorig kwartaal.

GNP

/ˌdʒiː.enˈpiː/

(abbreviation) bruto nationaal product, BNP

Voorbeeld:

The country's GNP increased by 3% last year.
Het BNP van het land steeg vorig jaar met 3%.

balance of payments

/ˈbæl.əns əv ˈpeɪ.mənts/

(noun) betalingsbalans

Voorbeeld:

The country is trying to improve its balance of payments by increasing exports.
Het land probeert zijn betalingsbalans te verbeteren door de export te vergroten.

balance of trade

/ˈbæl.əns əv treɪd/

(noun) handelsbalans

Voorbeeld:

The country is trying to improve its balance of trade by increasing exports.
Het land probeert zijn handelsbalans te verbeteren door de export te vergroten.

tariff

/ˈter.ɪf/

(noun) tarief, douanerecht, prijslijst;

(verb) tariferen, belasten met douanerechten

Voorbeeld:

The government imposed a new tariff on imported cars.
De regering legde een nieuw tarief op geïmporteerde auto's.

trade deficit

/ˈtreɪd ˌdef.ɪ.sɪt/

(noun) handelstekort

Voorbeeld:

The country has been struggling with a large trade deficit for years.
Het land kampt al jaren met een groot handelstekort.

trade surplus

/treɪd ˈsɝː.pləs/

(noun) handelsoverschot

Voorbeeld:

The country achieved a significant trade surplus last quarter.
Het land behaalde vorig kwartaal een aanzienlijk handelsoverschot.

budget deficit

/ˈbʌdʒɪt ˈdɛfɪsɪt/

(noun) begrotingstekort

Voorbeeld:

The country is facing a significant budget deficit this year.
Het land kampt dit jaar met een aanzienlijk begrotingstekort.

budget surplus

/ˈbʌdʒɪt ˈsɜːrpləs/

(noun) begrotingsoverschot

Voorbeeld:

The country achieved a significant budget surplus last year due to strong economic growth.
Het land behaalde vorig jaar een aanzienlijk begrotingsoverschot dankzij sterke economische groei.

fiscal policy

/ˈfɪs.kəl ˈpɑː.lə.si/

(noun) begrotingsbeleid, fiscale politiek

Voorbeeld:

The government announced new fiscal policy measures to stimulate growth.
De regering kondigde nieuwe maatregelen voor het begrotingsbeleid aan om de groei te stimuleren.

monetary policy

/ˈmɑː.nɪ.ter.i ˈpɑː.lə.si/

(noun) monetair beleid

Voorbeeld:

The central bank announced a shift in its monetary policy to combat inflation.
De centrale bank kondigde een verschuiving in haar monetaire beleid aan om inflatie te bestrijden.

supply and demand

/səˌplaɪ ən dɪˈmænd/

(noun) vraag en aanbod

Voorbeeld:

The price of oil is determined by supply and demand.
De olieprijs wordt bepaald door vraag en aanbod.

market equilibrium

/ˈmɑːrkɪt ˌiːkwɪˈlɪbriəm/

(noun) marktevenwicht

Voorbeeld:

At market equilibrium, there is no shortage or surplus of goods.
Bij marktevenwicht is er geen tekort of overschot aan goederen.

monopoly

/məˈnɑː.pəl.i/

(noun) monopolie, Monopoly, bordspel Monopoly

Voorbeeld:

The company has a virtual monopoly on the market.
Het bedrijf heeft een virtueel monopolie op de markt.

oligopoly

/ˌɑː.lɪˈɡɑː.pəl.i/

(noun) oligopolie

Voorbeeld:

The airline industry is often cited as an example of an oligopoly.
De luchtvaartindustrie wordt vaak genoemd als een voorbeeld van een oligopolie.

competition

/ˌkɑːm.pəˈtɪʃ.ən/

(noun) concurrentie, wedijver, wedstrijd

Voorbeeld:

There's fierce competition for jobs in the current market.
Er is felle concurrentie om banen op de huidige markt.

elasticity

/ˌi.læsˈtɪs.ə.t̬i/

(noun) elasticiteit, rekbaarheid, flexibiliteit

Voorbeeld:

Rubber bands are known for their high elasticity.
Elastiekjes staan bekend om hun hoge elasticiteit.

recession

/rɪˈseʃ.ən/

(noun) recessie, economische neergang, terugtrekking

Voorbeeld:

The country is currently experiencing a deep recession.
Het land beleeft momenteel een diepe recessie.

depression

/dɪˈpreʃ.ən/

(noun) depressie, economische crisis, verzakking

Voorbeeld:

She has been suffering from severe depression for years.
Ze lijdt al jaren aan ernstige depressie.

unemployment

/ˌʌn.ɪmˈplɔɪ.mənt/

(noun) werkloosheid

Voorbeeld:

The government is working to reduce unemployment.
De regering werkt aan het verminderen van de werkloosheid.

labor market

/ˈleɪ.bər ˌmɑːr.kɪt/

(noun) arbeidsmarkt

Voorbeeld:

The government is implementing policies to improve the labor market.
De overheid implementeert beleid om de arbeidsmarkt te verbeteren.

incentive

/ɪnˈsen.t̬ɪv/

(noun) stimulans, prikkel, aansporing

Voorbeeld:

The bonus served as a strong incentive for employees to work harder.
De bonus diende als een sterke stimulans voor werknemers om harder te werken.

subsidy

/ˈsʌb.sə.di/

(noun) subsidie, toelage

Voorbeeld:

The government provides subsidies to farmers.
De overheid verstrekt subsidies aan boeren.

taxation

/tækˈseɪ.ʃən/

(noun) belasting, belastingheffing

Voorbeeld:

The government announced new taxation policies to fund public services.
De regering kondigde nieuwe belastingbeleid aan om openbare diensten te financieren.

progressive tax

/prəˌɡres.ɪv ˈtæks/

(noun) progressieve belasting

Voorbeeld:

Many countries implement a progressive tax system to reduce income inequality.
Veel landen implementeren een progressief belastingstelsel om inkomensongelijkheid te verminderen.

regulation

/ˌreɡ.jəˈleɪ.ʃən/

(noun) regelgeving, voorschrift, reglement

Voorbeeld:

New safety regulations have been introduced.
Nieuwe veiligheidsvoorschriften zijn ingevoerd.

deregulation

/ˌdiː.reɡ.jəˈleɪ.ʃən/

(noun) deregulering, ontregeling

Voorbeeld:

The government announced a new policy of deregulation to boost the economy.
De regering kondigde een nieuw beleid van deregulering aan om de economie te stimuleren.

purchasing power

/ˈpɝː.tʃə.sɪŋ ˌpaʊ.ɚ/

(noun) koopkracht

Voorbeeld:

Inflation erodes the purchasing power of money.
Inflatie tast de koopkracht van geld aan.

interest rate

/ˈɪn.trəst ˌreɪt/

(noun) rentevoet, rentetarief

Voorbeeld:

The central bank decided to raise the interest rate to control inflation.
De centrale bank besloot de rentevoet te verhogen om de inflatie te beheersen.

capital

/ˈkæp.ə.t̬əl/

(noun) hoofdstad, kapitaal, vermogen;

(adjective) kapitaal, doodstraf, uitstekend

Voorbeeld:

London is the capital of the United Kingdom.
Londen is de hoofdstad van het Verenigd Koninkrijk.

investment

/ɪnˈvest.mənt/

(noun) investering, belegging, waardevolle aankoop

Voorbeeld:

His investment in the stock market paid off handsomely.
Zijn investering in de aandelenmarkt heeft zich ruimschoots uitbetaald.

entrepreneurship

/ˌɑːn.trə.prəˈnɝː.ʃɪp/

(noun) ondernemerschap

Voorbeeld:

She studied entrepreneurship in college.
Ze studeerde ondernemerschap aan de universiteit.

risk

/rɪsk/

(noun) risico, gevaar;

(verb) riskeren, wagen

Voorbeeld:

Smoking increases the risk of heart disease.
Roken verhoogt het risico op hartziekten.

profit

/ˈprɑː.fɪt/

(noun) winst, profijt, voordeel;

(verb) profiteren, winst maken, baten

Voorbeeld:

The company reported a significant profit this quarter.
Het bedrijf rapporteerde dit kwartaal een aanzienlijke winst.

loss

/lɑːs/

(noun) verlies, tekort

Voorbeeld:

The company reported a significant financial loss this quarter.
Het bedrijf rapporteerde dit kwartaal een aanzienlijk financieel verlies.

mergers and acquisitions

/ˈmɜːrdʒərz ənd əˌkwɪˈzɪʃənz/

(plural noun) fusies en overnames

Voorbeeld:

Our firm specializes in mergers and acquisitions.
Ons bedrijf is gespecialiseerd in fusies en overnames.

dividend

/ˈdɪv.ə.dend/

(noun) dividend, winstuitkering, deeltal

Voorbeeld:

The company announced a quarterly dividend of 50 cents per share.
Het bedrijf kondigde een kwartaaldividend van 50 cent per aandeel aan.

economy

/iˈkɑː.nə.mi/

(noun) economie, zuinigheid, besparing

Voorbeeld:

The country's economy is growing rapidly.
De economie van het land groeit snel.

market

/ˈmɑːr.kɪt/

(noun) markt;

(verb) op de markt brengen, vermarkten

Voorbeeld:

I bought fresh vegetables at the local market.
Ik kocht verse groenten op de lokale markt.

stock market

/ˈstɑːk ˌmɑːr.kɪt/

(noun) aandelenmarkt, beurs

Voorbeeld:

The stock market closed higher today.
De aandelenmarkt sloot vandaag hoger.

bond market

/ˈbɑːnd ˌmɑːr.kɪt/

(noun) obligatiemarkt, effectenmarkt

Voorbeeld:

The central bank's decision had a significant impact on the bond market.
De beslissing van de centrale bank had een aanzienlijke impact op de obligatiemarkt.

foreign exchange market

/ˈfɔːr.ɪn ɪksˈtʃeɪndʒ ˈmɑːr.kɪt/

(noun) valutamarkt, forexmarkt

Voorbeeld:

The foreign exchange market operates 24 hours a day, five days a week.
De valutamarkt is 24 uur per dag, vijf dagen per week geopend.

capital market

/ˈkæpɪtl ˈmɑːrkɪt/

(noun) kapitaalmarkt

Voorbeeld:

The company raised funds through the capital market.
Het bedrijf heeft geld opgehaald via de kapitaalmarkt.

bankruptcy

/ˈbæŋ.krəpt.si/

(noun) faillissement

Voorbeeld:

The company filed for bankruptcy after years of financial struggles.
Het bedrijf vroeg het faillissement aan na jaren van financiële problemen.

unemployment rate

/ʌnɪmˈplɔɪmənt reɪt/

(noun) werkloosheidscijfer, werkloosheidspercentage

Voorbeeld:

The government announced a decrease in the unemployment rate.
De regering kondigde een daling van de werkloosheidscijfer aan.

consumer price index

/ˌkɑːnˈsuː.mər ˌpraɪs ˈɪn.deks/

(noun) Consumentenprijsindex

Voorbeeld:

The government announced that the Consumer Price Index rose by 0.5% last month, indicating inflation.
De regering kondigde aan dat de Consumentenprijsindex vorige maand met 0,5% steeg, wat duidt op inflatie.

producer price index

/prəˈduːsər praɪs ˈɪndɛks/

(noun) producentenprijsindex

Voorbeeld:

The Producer Price Index rose by 0.5% last month, indicating inflationary pressures.
De Producentenprijsindex steeg vorige maand met 0,5%, wat duidt op inflatoire druk.

gross domestic product

/ˌɡroʊs dəˌmes.tɪk ˈprɑː.dʌkt/

(noun) bruto binnenlands product

Voorbeeld:

The country's gross domestic product increased by 3% last year.
Het bruto binnenlands product van het land steeg vorig jaar met 3%.

gross national product

/ˌɡroʊs ˌnæʃ.ən.əl ˈprɑː.dʌkt/

(noun) Bruto Nationaal Product, BNP

Voorbeeld:

The country's Gross National Product increased by 3% last year.
Het Bruto Nationaal Product van het land steeg vorig jaar met 3%.

gross national income

/ˌɡroʊs ˌnæʃ.ən.əl ˈɪn.kʌm/

(noun) bruto nationaal inkomen

Voorbeeld:

The country's gross national income has increased steadily over the past decade.
Het bruto nationaal inkomen van het land is de afgelopen tien jaar gestaag toegenomen.

public debt

/ˌpʌb.lɪk ˈdet/

(noun) staatsschuld, overheidsschuld

Voorbeeld:

The nation's public debt has reached an unprecedented level.
De staatsschuld van het land heeft een ongekend niveau bereikt.

foreign direct investment

/ˌfɔːr.ɪn daɪˈrekt ɪnˈvest.mənt/

(noun) buitenlandse directe investering

Voorbeeld:

The government is actively seeking to attract more foreign direct investment.
De overheid probeert actief meer buitenlandse directe investeringen aan te trekken.

savings

/ˈseɪ·vɪŋz/

(plural noun) spaargeld, besparingen, besparing

Voorbeeld:

She put all her savings into a new house.
Ze stak al haar spaargeld in een nieuw huis.

infrastructure

/ˈɪn.frəˌstrʌk.tʃɚ/

(noun) infrastructuur

Voorbeeld:

The country's aging infrastructure needs significant investment.
De verouderende infrastructuur van het land heeft aanzienlijke investeringen nodig.

supply chain

/səˈplaɪ tʃeɪn/

(noun) toeleveringsketen, supply chain

Voorbeeld:

Disruptions in the global supply chain can lead to product shortages.
Verstoringen in de wereldwijde toeleveringsketen kunnen leiden tot producttekorten.

externality

/ɪkˌstɝːˈnæl.ə.ti̬/

(noun) externaliteit, extern effect

Voorbeeld:

Pollution is a classic example of a negative externality.
Vervuiling is een klassiek voorbeeld van een negatieve externaliteit.

economic growth

/ˌiːkəˈnɑːmɪk ɡroʊθ/

(noun) economische groei

Voorbeeld:

The government aims to stimulate economic growth through new policies.
De regering streeft ernaar economische groei te stimuleren via nieuw beleid.

stagnation

/stæɡˈneɪ.ʃən/

(noun) stagnatie, stilstand

Voorbeeld:

The economy is suffering from stagnation.
De economie lijdt onder stagnatie.

globalization

/ˌɡloʊ.bəl.əˈzeɪ.ʃən/

(noun) globalisering

Voorbeeld:

The rise of the internet has greatly accelerated globalization.
De opkomst van het internet heeft de globalisering sterk versneld.

protectionism

/prəˈtek.ʃən.ɪ.zəm/

(noun) protectionisme

Voorbeeld:

The government implemented protectionism to support local businesses.
De regering voerde protectionisme in om lokale bedrijven te ondersteunen.

trade barrier

/ˈtreɪd ˌber.i.ər/

(noun) handelsbarrière

Voorbeeld:

The country imposed a new trade barrier on imported cars.
Het land legde een nieuwe handelsbarrière op voor geïmporteerde auto's.

free trade

/ˌfriː ˈtreɪd/

(noun) vrijhandel

Voorbeeld:

The two countries signed a free trade agreement.
De twee landen ondertekenden een vrijhandelsakkoord.

foreign exchange reserves

/ˈfɔːr.ɪn ɪksˈtʃeɪndʒ rɪˈzɜːrvz/

(noun) deviezenreserves

Voorbeeld:

The country's foreign exchange reserves have increased significantly this quarter.
De deviezenreserves van het land zijn dit kwartaal aanzienlijk toegenomen.

productivity

/ˌproʊ.dəkˈtɪv.ə.t̬i/

(noun) productiviteit, doelmatigheid

Voorbeeld:

The new machinery has increased the factory's productivity.
De nieuwe machines hebben de productiviteit van de fabriek verhoogd.

economic indicator

/ˌiː.kəˈnɑː.mɪk ˈɪn.də.keɪ.tər/

(noun) economische indicator

Voorbeeld:

GDP is a key economic indicator.
BBP is een belangrijke economische indicator.

economic model

/ˌiːkəˈnɑːmɪk ˈmɑːdl/

(noun) economisch model

Voorbeeld:

The government used an economic model to predict the impact of the new tax policy.
De overheid gebruikte een economisch model om de impact van het nieuwe belastingbeleid te voorspellen.

economic system

/ˌiː.kəˈnɑː.mɪk ˈsɪs.təm/

(noun) economisch systeem

Voorbeeld:

Capitalism is a common type of economic system.
Kapitalisme is een veelvoorkomend type economisch systeem.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland