Avatar of Vocabulary Set Verhoog de hoeveelheid

Vocabulaireverzameling Verhoog de hoeveelheid in Algemene IELTS-woordenschat (band 5): Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Verhoog de hoeveelheid' in 'Algemene IELTS-woordenschat (band 5)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

numerous

/ˈnuː.mə.rəs/

(adjective) talloos, talrijk

Voorbeeld:

There were numerous complaints about the new policy.
Er waren talloze klachten over het nieuwe beleid.

full

/fʊl/

(adjective) vol, volledig, totaal;

(adverb) vol, precies

Voorbeeld:

The basket is full of apples.
De mand is vol met appels.

bountiful

/-t̬ɪ-/

(adjective) overvloedig, rijk, gul

Voorbeeld:

The harvest was bountiful this year, with plenty of crops for everyone.
De oogst was dit jaar overvloedig, met genoeg gewassen voor iedereen.

plentiful

/ˈplen.t̬ɪ.fəl/

(adjective) overvloedig, ruim, volop

Voorbeeld:

Food was plentiful during the harvest season.
Voedsel was overvloedig tijdens het oogstseizoen.

high

/haɪ/

(adjective) hoog, maximaal, belangrijk;

(adverb) hoog;

(noun) hoogtepunt, record

Voorbeeld:

The mountain is very high.
De berg is erg hoog.

abundant

/əˈbʌn.dənt/

(adjective) overvloedig, rijk, ruim

Voorbeeld:

Water is abundant in the region.
Water is overvloedig in de regio.

rise

/raɪz/

(verb) rijzen, stijgen, opgaan;

(noun) stijging, opkomst, verhoging

Voorbeeld:

The sun began to rise over the mountains.
De zon begon te rijzen boven de bergen.

gain

/ɡeɪn/

(verb) verkrijgen, winnen, opdoen;

(noun) winst, voordeel, toename

Voorbeeld:

He worked hard to gain experience in the field.
Hij werkte hard om ervaring op te doen in het veld.

raise

/reɪz/

(verb) optillen, verhogen, vergroten;

(noun) salarisverhoging, loonsverhoging

Voorbeeld:

She raised her hand to ask a question.
Ze stak haar hand op om een vraag te stellen.

increase

/ɪnˈkriːs/

(verb) toenemen, vergroten, stijgen;

(noun) toename, stijging, verhoging

Voorbeeld:

The population of the city continues to increase.
De bevolking van de stad blijft toenemen.

build up

/bɪld ʌp/

(phrasal verb) opbouwen, versterken, ophemelen

Voorbeeld:

She needs to build up her strength after the illness.
Ze moet haar kracht opbouwen na de ziekte.

boost

/buːst/

(verb) stimuleren, vergroten, omhoog helpen;

(noun) impuls, stimulans

Voorbeeld:

The new advertising campaign aims to boost sales.
De nieuwe reclamecampagne is gericht op het stimuleren van de verkoop.

maximize

/ˈmæk.sə.maɪz/

(verb) maximaliseren, vergroten

Voorbeeld:

We need to maximize our profits this quarter.
We moeten onze winst dit kwartaal maximaliseren.

advance

/ədˈvæns/

(noun) vooruitgang, opmars, voorschot;

(verb) vooruitgaan, vorderen, voorschieten;

(adjective) vooraf, voorlopig

Voorbeeld:

The army made a rapid advance towards the enemy lines.
Het leger maakte een snelle opmars richting de vijandelijke linies.

enlarge

/ɪnˈlɑːrdʒ/

(verb) vergroten, uitbreiden

Voorbeeld:

You can enlarge the image by pinching out on the screen.
Je kunt de afbeelding vergroten door uit te knijpen op het scherm.

growth

/ɡroʊθ/

(noun) groei, toename, ontwikkeling

Voorbeeld:

The company experienced rapid growth in the last quarter.
Het bedrijf kende een snelle groei in het laatste kwartaal.

enlargement

/ɪnˈlɑːrdʒ.mənt/

expansion

/ɪkˈspæn.ʃən/

(noun) expansie, uitbreiding, vergroting

Voorbeeld:

The rapid expansion of the universe is a key concept in cosmology.
De snelle expansie van het universum is een sleutelconcept in de kosmologie.

extension

/ɪkˈsten.ʃən/

(noun) verlenging, uitbreiding, aanbouw

Voorbeeld:

The company announced an extension of its warranty period.
Het bedrijf kondigde een verlenging van de garantieperiode aan.

addition

/əˈdɪʃ.ən/

(noun) toevoeging, aanvulling, optellen

Voorbeeld:

The addition of sugar made the cake sweeter.
De toevoeging van suiker maakte de cake zoeter.

progress

/ˈprɑː.ɡres/

(noun) vooruitgang, progressie;

(verb) vorderen, vooruitgaan

Voorbeeld:

We are making good progress on the project.
We maken goede vooruitgang met het project.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland