Avatar of Vocabulary Set Onderwijs

Vocabulaireverzameling Onderwijs in IELTS Academische Woordenschat (Band 5): Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Onderwijs' in 'IELTS Academische Woordenschat (Band 5)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

absentee

/ˌæb.sənˈtiː/

(noun) afwezige, absent;

(adjective) afwezig, absent

Voorbeeld:

There were several absentees from the meeting.
Er waren verschillende afwezigen op de vergadering.

syllabus

/ˈsɪl.ə.bəs/

(noun) syllabus, lesprogramma

Voorbeeld:

The professor handed out the syllabus on the first day of class.
De professor deelde de syllabus uit op de eerste dag van de les.

lecture

/ˈlek.tʃɚ/

(noun) lezing, college, preek;

(verb) lesgeven, doceren, de les lezen

Voorbeeld:

The professor gave a fascinating lecture on ancient history.
De professor gaf een fascinerende lezing over oude geschiedenis.

homework

/ˈhoʊm.wɝːk/

(noun) huiswerk

Voorbeeld:

I have a lot of homework to finish tonight.
Ik heb veel huiswerk vanavond af te maken.

assignment

/əˈsaɪn.mənt/

(noun) opdracht, taak, toewijzing

Voorbeeld:

The teacher gave us a difficult math assignment.
De leraar gaf ons een moeilijke wiskundeopdracht.

grade

/ɡreɪd/

(noun) kwaliteit, graad, niveau;

(verb) sorteren, indelen, beoordelen

Voorbeeld:

This is a high grade olive oil.
Dit is een olijfolie van hoge kwaliteit.

mark

/mɑːrk/

(noun) teken, merk, cijfer;

(verb) markeren, vlekken, aanduiden

Voorbeeld:

The teacher put a red mark on the incorrect answers.
De leraar zette een rode markering op de foute antwoorden.

textbook

/ˈtekst.bʊk/

(noun) leerboek, handboek;

(adjective) schoolvoorbeeld, klassiek

Voorbeeld:

We need to buy a new textbook for our history class.
We moeten een nieuw leerboek kopen voor onze geschiedenisles.

professor

/prəˈfes.ɚ/

(noun) professor, hoogleraar

Voorbeeld:

Professor Smith teaches history at the university.
Professor Smith doceert geschiedenis aan de universiteit.

subject

/ˈsʌb.dʒekt/

(noun) onderwerp, thema, vak;

(verb) onderwerpen, blootstellen;

(adjective) onderhevig aan, afhankelijk van

Voorbeeld:

The main subject of the meeting was the new budget.
Het hoofdonderwerp van de vergadering was de nieuwe begroting.

course

/kɔːrs/

(noun) koers, richting, loop;

(verb) stromen, vloeien

Voorbeeld:

The ship altered its course to avoid the storm.
Het schip veranderde zijn koers om de storm te vermijden.

college

/ˈkɑː.lɪdʒ/

(noun) hogeschool, universiteit, universiteitspersoneel en studenten

Voorbeeld:

She is going to college next year to study engineering.
Ze gaat volgend jaar naar de hogeschool om techniek te studeren.

institution

/ˌɪn.stəˈtuː.ʃən/

(noun) instelling, instituut, gebruik

Voorbeeld:

The university is a highly respected institution.
De universiteit is een zeer gerespecteerde instelling.

semester

/səˈmes.tɚ/

(noun) semester, studieperiode

Voorbeeld:

The fall semester begins in late August.
Het herfstsemester begint eind augustus.

degree

/dɪˈɡriː/

(noun) mate, graad, diploma

Voorbeeld:

To what degree do you agree with this statement?
In welke mate bent u het eens met deze verklaring?

graduation

/ˌɡrædʒ.uˈeɪ.ʃən/

(noun) afstuderen, diploma-uitreiking, graduatie

Voorbeeld:

My graduation ceremony is next month.
Mijn afstudeerceremonie is volgende maand.

graduate

/ˈɡrædʒ.u.ət/

(noun) afgestudeerde, gediplomeerde;

(verb) afstuderen, diploma behalen, doorstromen

Voorbeeld:

She is a recent graduate of Harvard University.
Zij is een recente afgestudeerde van Harvard University.

attend

/əˈtend/

(verb) bijwonen, volgen, zorgen voor

Voorbeeld:

She decided to attend the conference.
Ze besloot de conferentie te bijwonen.

pass

/pæs/

(verb) passeren, voorbijgaan, slagen;

(noun) voldoende, geslaagd, pas

Voorbeeld:

A car passed us on the highway.
Een auto passeerde ons op de snelweg.

review

/rɪˈvjuː/

(noun) beoordeling, herziening, recensie;

(verb) herzien, beoordelen, recenseren

Voorbeeld:

The company conducted a performance review for all employees.
Het bedrijf voerde een prestatiebeoordeling uit voor alle werknemers.

read

/riːd/

(verb) lezen, interpreteren, begrijpen;

(noun) lezing, leesbeurt

Voorbeeld:

She loves to read books in her free time.
Ze houdt ervan om boeken te lezen in haar vrije tijd.

note

/noʊt/

(noun) aantekening, notitie, briefje;

(verb) opmerken, noteren, opschrijven

Voorbeeld:

I made a note of her address.
Ik maakte een aantekening van haar adres.

summarize

/ˈsʌm.ə.raɪz/

(verb) samenvatten, resumeren

Voorbeeld:

He summarized the key findings of the report.
Hij vatte de belangrijkste bevindingen van het rapport samen.

examine

/ɪɡˈzæm.ɪn/

(verb) onderzoeken, inspecteren, bekijken

Voorbeeld:

The doctor will examine the patient thoroughly.
De dokter zal de patiënt grondig onderzoeken.

participate

/pɑːrˈtɪs.ə.peɪt/

(verb) deelnemen, participeren

Voorbeeld:

Everyone is encouraged to participate in the discussion.
Iedereen wordt aangemoedigd om te participeren in de discussie.

paraphrase

/ˈper.ə.freɪz/

(verb) parafraseren;

(noun) parafrase

Voorbeeld:

Can you paraphrase the main argument of the article?
Kun je het belangrijkste argument van het artikel parafraseren?

assign

/əˈsaɪn/

(verb) toewijzen, opdragen, toekennen

Voorbeeld:

The teacher will assign homework to the students.
De leraar zal huiswerk toewijzen aan de studenten.

formulate

/ˈfɔːr.mjə.leɪt/

(verb) formuleren, opstellen, bereiden

Voorbeeld:

The team needs to formulate a new strategy to win the game.
Het team moet een nieuwe strategie formuleren om de wedstrijd te winnen.

register

/ˈredʒ.ə.stɚ/

(verb) registreren, inschrijven, aangeven;

(noun) register, lijst, kassa

Voorbeeld:

You need to register your car with the DMV.
Je moet je auto registreren bij de RDW.

present

/ˈprez.ənt/

(noun) cadeau, geschenk, heden;

(adjective) aanwezig, huidig;

(verb) presenteren, aanbieden, geven

Voorbeeld:

She received a beautiful present for her birthday.
Ze kreeg een mooi cadeau voor haar verjaardag.

uneducated

/ʌnˈedʒ.ə.keɪ.t̬ɪd/

(adjective) onopgeleid, ongeletterd

Voorbeeld:

Many people in rural areas remain uneducated due to lack of schools.
Veel mensen op het platteland blijven onopgeleid door gebrek aan scholen.

educated

/ˈedʒ.ə.keɪ.t̬ɪd/

(adjective) opgeleid, geschoold, ontwikkeld;

(past participle) opgeleid, geschoold

Voorbeeld:

She is a highly educated woman with a doctorate degree.
Zij is een hoog opgeleide vrouw met een doctoraat.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland