Vocabulaireverzameling Onderwijs in IELTS Academische Woordenschat (Band 5): Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Onderwijs' in 'IELTS Academische Woordenschat (Band 5)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) afwezige, absent;
(adjective) afwezig, absent
Voorbeeld:
(noun) syllabus, lesprogramma
Voorbeeld:
(noun) lezing, college, preek;
(verb) lesgeven, doceren, de les lezen
Voorbeeld:
(noun) huiswerk
Voorbeeld:
(noun) opdracht, taak, toewijzing
Voorbeeld:
(noun) kwaliteit, graad, niveau;
(verb) sorteren, indelen, beoordelen
Voorbeeld:
(noun) teken, merk, cijfer;
(verb) markeren, vlekken, aanduiden
Voorbeeld:
(noun) leerboek, handboek;
(adjective) schoolvoorbeeld, klassiek
Voorbeeld:
(noun) professor, hoogleraar
Voorbeeld:
(noun) onderwerp, thema, vak;
(verb) onderwerpen, blootstellen;
(adjective) onderhevig aan, afhankelijk van
Voorbeeld:
(noun) koers, richting, loop;
(verb) stromen, vloeien
Voorbeeld:
(noun) hogeschool, universiteit, universiteitspersoneel en studenten
Voorbeeld:
(noun) instelling, instituut, gebruik
Voorbeeld:
(noun) semester, studieperiode
Voorbeeld:
(noun) mate, graad, diploma
Voorbeeld:
(noun) afstuderen, diploma-uitreiking, graduatie
Voorbeeld:
(noun) afgestudeerde, gediplomeerde;
(verb) afstuderen, diploma behalen, doorstromen
Voorbeeld:
(verb) bijwonen, volgen, zorgen voor
Voorbeeld:
(verb) passeren, voorbijgaan, slagen;
(noun) voldoende, geslaagd, pas
Voorbeeld:
(noun) beoordeling, herziening, recensie;
(verb) herzien, beoordelen, recenseren
Voorbeeld:
(verb) lezen, interpreteren, begrijpen;
(noun) lezing, leesbeurt
Voorbeeld:
(noun) aantekening, notitie, briefje;
(verb) opmerken, noteren, opschrijven
Voorbeeld:
(verb) samenvatten, resumeren
Voorbeeld:
(verb) onderzoeken, inspecteren, bekijken
Voorbeeld:
(verb) deelnemen, participeren
Voorbeeld:
(verb) parafraseren;
(noun) parafrase
Voorbeeld:
(verb) toewijzen, opdragen, toekennen
Voorbeeld:
(verb) formuleren, opstellen, bereiden
Voorbeeld:
(verb) registreren, inschrijven, aangeven;
(noun) register, lijst, kassa
Voorbeeld:
(noun) cadeau, geschenk, heden;
(adjective) aanwezig, huidig;
(verb) presenteren, aanbieden, geven
Voorbeeld:
(adjective) onopgeleid, ongeletterd
Voorbeeld:
(adjective) opgeleid, geschoold, ontwikkeld;
(past participle) opgeleid, geschoold
Voorbeeld: