Vocabulaireverzameling 451-500 in 600 WOORDEN DIE NAUWKEURIG ZIJN AAN LEERBOEKEN: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling '451-500' in '600 WOORDEN DIE NAUWKEURIG ZIJN AAN LEERBOEKEN' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) schoolverlater
Voorbeeld:
(noun) kritisch denken
Voorbeeld:
(noun) carrièrepad, loopbaantraject
Voorbeeld:
(adjective) medisch;
(noun) medische keuring, medisch onderzoek
Voorbeeld:
(adjective) zelfrijdend
Voorbeeld:
(adjective) praktisch, hands-on
Voorbeeld:
(noun) pad, spoor, rupsband;
(verb) volgen, traceren, monitoren
Voorbeeld:
(noun) vonk, spoor;
(verb) ontsteken, aansteken, stimuleren
Voorbeeld:
(adjective) potentieel, mogelijke;
(noun) potentieel, mogelijkheden
Voorbeeld:
(noun) platform, perron, programma
Voorbeeld:
(noun) interesse, aandacht, rente;
(verb) interesseren, boeien
Voorbeeld:
(noun) specie, muntgeld
Voorbeeld:
(verb) bedreigen, dreigen, gevaar vormen voor
Voorbeeld:
(verb) overbevissen
Voorbeeld:
(adjective) marien, zee-, scheepvaart-;
(noun) marinier
Voorbeeld:
(adjective) uitgestorven, uitgedoofd, inactief
Voorbeeld:
(adjective) geautomatiseerd, automatisch
Voorbeeld:
(adjective) winstgevend, lucratief;
(noun) winstbejag, het maken van winst
Voorbeeld:
(adjective) visueel, optisch;
(noun) beelden, visuals
Voorbeeld:
(noun) route, weg;
(verb) routeren, leiden
Voorbeeld:
(verb) analyseren, ontleden
Voorbeeld:
(noun) programma, schema, computerprogramma;
(verb) programmeren, plannen
Voorbeeld:
(verb) interageren, op elkaar inwerken
Voorbeeld:
(verb) activeren, inschakelen, stimuleren
Voorbeeld:
(adjective) rijk, welgesteld
Voorbeeld:
(verb) aannemen, inhuren, huren;
(noun) aanwerving, huur
Voorbeeld:
(verb) onderwijzen, opleiden
Voorbeeld:
(noun) onderwerp, thema, vak;
(verb) onderwerpen, blootstellen;
(adjective) onderhevig aan, afhankelijk van
Voorbeeld:
(noun) ontbering, moeilijkheid, tegenspoed
Voorbeeld:
(noun) achtervolging, streven, bezigheid
Voorbeeld:
(noun) adviseur, raadgever
Voorbeeld:
(noun) privéleraar, tutor;
(verb) bijles geven, onderwijzen
Voorbeeld:
(adjective) levenslang, voor het leven
Voorbeeld:
(adverb) onafhankelijk, afzonderlijk
Voorbeeld:
(adjective) formeel, officieel, gestructureerd
Voorbeeld:
(noun) setting, omgeving, decor
Voorbeeld:
(noun) afleiding
Voorbeeld:
(noun) verstedelijking, urbanisatie
Voorbeeld:
(verb) weigeren, afwijzen, dalen;
(noun) daling, afname, neergang
Voorbeeld:
(noun) dienst, service, voorziening;
(verb) dienen, werken voor, serveren
Voorbeeld:
(verb) uitzenden, uitstralen, verkondigen;
(noun) uitzending, programma
Voorbeeld:
(verb) adverteren, reclame maken, bekendmaken
Voorbeeld:
(noun) schakelaar, verandering, overstap;
(verb) omschakelen, wisselen, aan-/uitzetten
Voorbeeld:
(verb) omzetten, verbouwen, converteren;
(noun) bekeerling, overtuigde
Voorbeeld:
(adjective) interactief, wederzijds beïnvloedend
Voorbeeld:
(noun) ondernemer
Voorbeeld:
(noun) teamwork, samenwerking
Voorbeeld:
(noun) maatschappelijk werker
Voorbeeld:
(noun) softwareontwikkelaar
Voorbeeld:
(noun) jubileum, verjaardag
Voorbeeld: