Avatar of Vocabulary Set A1 - Letter N

Vocabulaireverzameling A1 - Letter N in Oxford 3000 - A1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A1 - Letter N' in 'Oxford 3000 - A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

name

/neɪm/

(noun) naam, reputatie;

(verb) noemen, benoemen

Voorbeeld:

What is your name?
Wat is jouw naam?

natural

/ˈnætʃ.ɚ.əl/

(adjective) natuurlijk, normaal, vanzelfsprekend;

(noun) natuurlijk talent, geboren talent

Voorbeeld:

The Grand Canyon is a stunning natural wonder.
De Grand Canyon is een adembenemend natuurlijk wonder.

near

/nɪr/

(adverb) dichtbij, nabij;

(preposition) nabij, dichtbij;

(adjective) nabij, dichtbij;

(verb) naderen, dichterbij komen

Voorbeeld:

The school is quite near.
De school is vrij dichtbij.

need

/niːd/

(verb) nodig hebben, moeten;

(noun) behoefte, noodzaak

Voorbeeld:

I need to go to the bank.
Ik moet naar de bank.

negative

/ˈneɡ.ə.t̬ɪv/

(adjective) negatief, ontkennend, schadelijk;

(noun) negatief, ontkenning

Voorbeeld:

She gave a negative answer to the proposal.
Ze gaf een negatief antwoord op het voorstel.

neighbor

/ˈneɪ.bɚ/

(noun) buur, buurman, buurvrouw;

(verb) grenzen aan, naast liggen

Voorbeeld:

Our neighbor brought us a pie.
Onze buurman bracht ons een taart.

never

/ˈnev.ɚ/

(adverb) nooit, geenszins

Voorbeeld:

I have never been to Paris.
Ik ben nooit in Parijs geweest.

new

/nuː/

(adjective) nieuw, onbekend;

(adverb) vers, recentelijk

Voorbeeld:

This is a new car.
Dit is een nieuwe auto.

news

/nuːz/

(noun) nieuws, journaal

Voorbeeld:

I heard the news on the radio this morning.
Ik hoorde het nieuws vanmorgen op de radio.

newspaper

/ˈnuːzˌpeɪ.pɚ/

(noun) krant

Voorbeeld:

I read the newspaper every morning with my coffee.
Ik lees elke ochtend de krant bij mijn koffie.

next

/nekst/

(adjective) volgende, hierna, naast;

(adverb) vervolgens, daarna

Voorbeeld:

What are you doing next?
Wat ga je hierna doen?

next to

/ˈnekst tə/

(preposition) naast, bijna, vrijwel

Voorbeeld:

The park is next to the library.
Het park is naast de bibliotheek.

nice

/naɪs/

(adjective) leuk, mooi, fijn

Voorbeeld:

We had a really nice time at the party.
We hadden een hele leuke tijd op het feest.

night

/naɪt/

(noun) nacht;

(adjective) nachtelijk, avond-

Voorbeeld:

The stars shine brightly at night.
De sterren schijnen helder 's nachts.

nine

/naɪn/

(number) negen, het getal negen

Voorbeeld:

There are nine planets in our solar system (formerly).
Er zijn negen planeten in ons zonnestelsel (voorheen).

nineteen

/ˌnaɪnˈtiːn/

(number) negentien

Voorbeeld:

There are nineteen students in the class.
Er zijn negentien studenten in de klas.

ninety

/ˈnaɪn.t̬i/

(number) negentig, 90

Voorbeeld:

The speed limit is ninety miles per hour.
De snelheidslimiet is negentig mijl per uur.

no

/noʊ/

(determiner) geen;

(exclamation) nee;

(noun) nee, afwijzing

Voorbeeld:

There is no milk left in the fridge.
Er is geen melk meer over in de koelkast.

no one

/ˈnoʊ wʌn/

(pronoun) niemand

Voorbeeld:

No one was home when I arrived.
Niemand was thuis toen ik aankwam.

nobody

/ˈnoʊ.bɑː.di/

(pronoun) niemand, onbelangrijk persoon;

(noun) niemand, onbelangrijk persoon

Voorbeeld:

Nobody was home when I called.
Niemand was thuis toen ik belde.

north

/nɔːrθ/

(noun) noorden;

(adjective) noordelijk;

(adverb) noordwaarts, ten noorden

Voorbeeld:

The wind is blowing from the north.
De wind waait uit het noorden.

nose

/noʊz/

(noun) neus, voorkant;

(verb) wroeten, snuffelen, zich een weg banen

Voorbeeld:

He wiped his nose with a tissue.
Hij veegde zijn neus af met een tissue.

not

/nɑːt/

(adverb) niet, geen

Voorbeeld:

I am not going to the party.
Ik ga niet naar het feest.

note

/noʊt/

(noun) aantekening, notitie, briefje;

(verb) opmerken, noteren, opschrijven

Voorbeeld:

I made a note of her address.
Ik maakte een aantekening van haar adres.

nothing

/ˈnʌθ.ɪŋ/

(pronoun) niets, onbelangrijk;

(adverb) helemaal niet, niets

Voorbeeld:

There's nothing I can do to help.
Er is niets wat ik kan doen om te helpen.

November

/noʊˈvem.bɚ/

(noun) november

Voorbeeld:

My birthday is in November.
Mijn verjaardag is in november.

now

/naʊ/

(adverb) nu, op dit moment, zojuist;

(interjection) nu, onmiddellijk;

(noun) nu, het heden;

(conjunction) nu, aangezien

Voorbeeld:

I need to leave now.
Ik moet nu vertrekken.

number

/ˈnʌm.bɚ/

(noun) getal, nummer, aantal;

(verb) bedragen, tellen, nummeren

Voorbeeld:

Write down your phone number.
Schrijf je telefoonnummer op.

nurse

/nɝːs/

(noun) verpleegkundige, verpleger, verpleegster;

(verb) verplegen, verzorgen, voeden

Voorbeeld:

The nurse checked the patient's vital signs.
De verpleegkundige controleerde de vitale functies van de patiënt.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland