Avatar of Vocabulary Set Top 426 - 450 Verbs

Vocabulaireverzameling Top 426 - 450 Verbs in 500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 426 - 450 Verbs' in '500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

crack

/kræk/

(noun) barst, scheur, knal;

(verb) barsten, kraken, knappen;

(adjective) uitstekend, top, geweldig

Voorbeeld:

There's a small crack in the window.
Er zit een kleine barst in het raam.

trade

/treɪd/

(noun) handel, ruilhandel, vak;

(verb) handelen, ruilen, uitwisselen

Voorbeeld:

International trade has increased significantly.
Internationale handel is aanzienlijk toegenomen.

enable

/ɪˈneɪ.bəl/

(verb) inschakelen, mogelijk maken

Voorbeeld:

The new software will enable us to work more efficiently.
De nieuwe software zal ons in staat stellen efficiënter te werken.

recover

/rɪˈkʌv.ɚ/

(verb) herstellen, bijkomen, terugvinden

Voorbeeld:

It took her a long time to recover from the illness.
Het duurde lang voordat ze herstelden van de ziekte.

absorb

/əbˈsɔːrb/

(verb) absorberen, opnemen, verwerken

Voorbeeld:

Plants absorb carbon dioxide from the air.
Planten absorberen koolstofdioxide uit de lucht.

cancel

/ˈkæn.səl/

(verb) annuleren, afgelasten, doorstrepen;

(noun) annulering, doorhaling

Voorbeeld:

We had to cancel our trip due to bad weather.
We moesten onze reis annuleren vanwege slecht weer.

threaten

/ˈθret.ən/

(verb) bedreigen, dreigen, gevaar vormen voor

Voorbeeld:

He threatened to report them to the police.
Hij dreigde hen aan te geven bij de politie.

judge

/dʒʌdʒ/

(noun) rechter, beoordelaar, kenner;

(verb) beoordelen, oordelen, schatten

Voorbeeld:

The judge sentenced the defendant to five years in prison.
De rechter veroordeelde de beklaagde tot vijf jaar gevangenisstraf.

deny

/dɪˈnaɪ/

(verb) ontkennen, loochenen, weigeren

Voorbeeld:

He continued to deny the accusations.
Hij bleef de beschuldigingen ontkennen.

cool

/kuːl/

(adjective) koel, cool, gaaf;

(verb) koelen, afkoelen;

(noun) koelte

Voorbeeld:

The evening air was pleasantly cool.
De avondlucht was aangenaam koel.

bake

/beɪk/

(verb) bakken, uitdrogen

Voorbeeld:

She decided to bake a cake for her friend's birthday.
Ze besloot een cake te bakken voor de verjaardag van haar vriendin.

rule

/ruːl/

(noun) regel, voorschrift, heerschappij;

(verb) regeren, heersen, beheersen

Voorbeeld:

The first rule of the club is to always be on time.
De eerste regel van de club is om altijd op tijd te zijn.

translate

/trænsˈleɪt/

(verb) vertalen, omzetten, overbrengen

Voorbeeld:

Can you translate this document from English to Spanish?
Kun je dit document van Engels naar Spaans vertalen?

influence

/ˈɪn.flu.əns/

(noun) invloed, invloedrijke persoon, influencer;

(verb) beïnvloeden

Voorbeeld:

His parents had a strong influence on his career choice.
Zijn ouders hadden een sterke invloed op zijn carrièrekeuze.

smile

/smaɪl/

(noun) glimlach;

(verb) glimlachen

Voorbeeld:

She gave a warm smile.
Ze gaf een warme glimlach.

float

/floʊt/

(verb) drijven, zweven, laten zweven;

(noun) dobber, vlotter, praalwagen

Voorbeeld:

The boat began to float on the water.
De boot begon op het water te drijven.

edit

/ˈed.ɪt/

(verb) bewerken, redigeren, monteren;

(noun) bewerking, correctie

Voorbeeld:

Please edit this report before you submit it.
Gelieve dit rapport te bewerken voordat u het indient.

succeed

/səkˈsiːd/

(verb) slagen, succes hebben, opvolgen

Voorbeeld:

She worked hard to succeed in her career.
Ze werkte hard om te slagen in haar carrière.

pack

/pæk/

(noun) pak, rugzak, bundel;

(verb) inpakken, verpakken, vullen

Voorbeeld:

He carried a large pack on his back.
Hij droeg een grote rugzak op zijn rug.

review

/rɪˈvjuː/

(noun) beoordeling, herziening, recensie;

(verb) herzien, beoordelen, recenseren

Voorbeeld:

The company conducted a performance review for all employees.
Het bedrijf voerde een prestatiebeoordeling uit voor alle werknemers.

conduct

/kənˈdʌkt/

(noun) gedrag, verloop, beheer;

(verb) uitvoeren, leiden, dirigeren

Voorbeeld:

The conduct of the meeting was very professional.
Het verloop van de vergadering was zeer professioneel.

arrest

/əˈrest/

(verb) arresteren, aanhouden, stoppen;

(noun) arrestatie, aanhouding, stop

Voorbeeld:

The police decided to arrest the suspect.
De politie besloot de verdachte te arresteren.

blame

/bleɪm/

(noun) schuld, verantwoordelijkheid;

(verb) de schuld geven, verwijten

Voorbeeld:

She took all the blame for the mistake.
Zij nam alle schuld op zich voor de fout.

double

/ˈdʌb.əl/

(adjective) dubbel, tweevoudig, twee keer zoveel;

(verb) verdubbelen;

(adverb) dubbel, twee keer zoveel;

(noun) dubbele, tweehonkslag

Voorbeeld:

She ordered a double espresso.
Ze bestelde een dubbele espresso.

dance

/dæns/

(verb) dansen, fladderen;

(noun) dans, dansfeest

Voorbeeld:

They love to dance all night long.
Ze houden ervan om de hele nacht te dansen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland