Vocabulaireverzameling Top 426 - 450 Verbs in 500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Top 426 - 450 Verbs' in '500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) barst, scheur, knal;
(verb) barsten, kraken, knappen;
(adjective) uitstekend, top, geweldig
Voorbeeld:
(noun) handel, ruilhandel, vak;
(verb) handelen, ruilen, uitwisselen
Voorbeeld:
(verb) inschakelen, mogelijk maken
Voorbeeld:
(verb) herstellen, bijkomen, terugvinden
Voorbeeld:
(verb) absorberen, opnemen, verwerken
Voorbeeld:
(verb) annuleren, afgelasten, doorstrepen;
(noun) annulering, doorhaling
Voorbeeld:
(verb) bedreigen, dreigen, gevaar vormen voor
Voorbeeld:
(noun) rechter, beoordelaar, kenner;
(verb) beoordelen, oordelen, schatten
Voorbeeld:
(verb) ontkennen, loochenen, weigeren
Voorbeeld:
(adjective) koel, cool, gaaf;
(verb) koelen, afkoelen;
(noun) koelte
Voorbeeld:
(verb) bakken, uitdrogen
Voorbeeld:
(noun) regel, voorschrift, heerschappij;
(verb) regeren, heersen, beheersen
Voorbeeld:
(verb) vertalen, omzetten, overbrengen
Voorbeeld:
(noun) invloed, invloedrijke persoon, influencer;
(verb) beïnvloeden
Voorbeeld:
(noun) glimlach;
(verb) glimlachen
Voorbeeld:
(verb) drijven, zweven, laten zweven;
(noun) dobber, vlotter, praalwagen
Voorbeeld:
(verb) bewerken, redigeren, monteren;
(noun) bewerking, correctie
Voorbeeld:
(verb) slagen, succes hebben, opvolgen
Voorbeeld:
(noun) pak, rugzak, bundel;
(verb) inpakken, verpakken, vullen
Voorbeeld:
(noun) beoordeling, herziening, recensie;
(verb) herzien, beoordelen, recenseren
Voorbeeld:
(noun) gedrag, verloop, beheer;
(verb) uitvoeren, leiden, dirigeren
Voorbeeld:
(verb) arresteren, aanhouden, stoppen;
(noun) arrestatie, aanhouding, stop
Voorbeeld:
(noun) schuld, verantwoordelijkheid;
(verb) de schuld geven, verwijten
Voorbeeld:
(adjective) dubbel, tweevoudig, twee keer zoveel;
(verb) verdubbelen;
(adverb) dubbel, twee keer zoveel;
(noun) dubbele, tweehonkslag
Voorbeeld:
(verb) dansen, fladderen;
(noun) dans, dansfeest
Voorbeeld: