Avatar of Vocabulary Set Top 226 - 250 Nouns

Vocabulaireverzameling Top 226 - 250 Nouns in 500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 226 - 250 Nouns' in '500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

oil

/ɔɪl/

(noun) olie, olieverf;

(verb) oliën, smeren

Voorbeeld:

The car needs an oil change.
De auto heeft een olieverversing nodig.

land

/lænd/

(noun) land, grond, perceel;

(verb) landen, neerlaten, bemachtigen

Voorbeeld:

The ship finally reached land after a long journey.
Het schip bereikte eindelijk land na een lange reis.

computer

/kəmˈpjuː.t̬ɚ/

(noun) computer

Voorbeeld:

I need to buy a new computer for work.
Ik moet een nieuwe computer kopen voor mijn werk.

note

/noʊt/

(noun) aantekening, notitie, briefje;

(verb) opmerken, noteren, opschrijven

Voorbeeld:

I made a note of her address.
Ik maakte een aantekening van haar adres.

dude

/duːd/

(noun) gast, kerel, jongen;

(verb) opdoffen, aankleden;

(exclamation) gast, jongen

Voorbeeld:

Hey, dude, what's up?
Hé, gast, hoe gaat het?

enemy

/ˈen.ə.mi/

(noun) vijand, tegenstander

Voorbeeld:

He made many enemies during his political career.
Hij maakte veel vijanden tijdens zijn politieke carrière.

joke

/dʒoʊk/

(noun) grap, mop, aanfluiting;

(verb) grappen, spotten

Voorbeeld:

He told a funny joke that made everyone laugh.
Hij vertelde een grappige grap die iedereen aan het lachen maakte.

peace

/piːs/

(noun) vrede, rust;

(exclamation) vrede, doei

Voorbeeld:

She found peace in the quiet countryside.
Ze vond rust op het rustige platteland.

task

/tæsk/

(noun) taak, opdracht;

(verb) belasten, opdragen

Voorbeeld:

Completing this report is my main task for today.
Het voltooien van dit rapport is mijn belangrijkste taak voor vandaag.

habit

/ˈhæb.ɪt/

(noun) gewoonte, gebruik, habijt;

(verb) kleden, aankleden

Voorbeeld:

Smoking is a bad habit.
Roken is een slechte gewoonte.

building

/ˈbɪl.dɪŋ/

(noun) gebouw, bouw, constructie

Voorbeeld:

The new office building is very tall.
Het nieuwe kantoorgebouw is erg hoog.

content

/kənˈtent/

(noun) inhoud, gehalte;

(adjective) tevreden, voldaan;

(verb) tevredenstellen, voldoen

Voorbeeld:

The table of contents lists all the chapters.
De inhoudsopgave vermeldt alle hoofdstukken.

century

/ˈsen.tʃər.i/

(noun) eeuw, eeuw (cricket)

Voorbeeld:

The 20th century saw rapid technological advancements.
De 20e eeuw kende snelle technologische vooruitgang.

decade

/ˈdek.eɪd/

(noun) decennium

Voorbeeld:

The 1990s was a memorable decade for music.
De jaren 90 waren een memorabel decennium voor muziek.

patient

/ˈpeɪ.ʃənt/

(adjective) geduldig;

(noun) patiënt

Voorbeeld:

You need to be more patient with your younger siblings.
Je moet geduldiger zijn met je jongere broers en zussen.

fan

/fæn/

(noun) ventilator, waaier, fan;

(verb) waaieren, aanwakkeren, verspreiden

Voorbeeld:

Turn on the fan, it's getting hot in here.
Zet de ventilator aan, het wordt hier warm.

project

/ˈprɑː.dʒekt/

(noun) project, plan;

(verb) projecteren, voorspellen, werpen

Voorbeeld:

The team is working on a new software project.
Het team werkt aan een nieuw softwareproject.

plant

/plænt/

(noun) plant, gewas, fabriek;

(verb) planten, zaaien, plaatsen

Voorbeeld:

She watered the plant every morning.
Ze gaf de plant elke ochtend water.

planet

/ˈplæn.ɪt/

(noun) planeet

Voorbeeld:

Earth is the third planet from the Sun.
De aarde is de derde planeet vanaf de zon.

damage

/ˈdæm.ɪdʒ/

(noun) schade, beschadiging, schadevergoeding;

(verb) beschadigen, schaden

Voorbeeld:

The storm caused extensive damage to the roof.
De storm veroorzaakte uitgebreide schade aan het dak.

election

/ɪˈlek.ʃən/

(noun) verkiezing, keuze, selectie

Voorbeeld:

The general election will be held next month.
De algemene verkiezingen worden volgende maand gehouden.

reality

/riˈæl.ə.t̬i/

(noun) realiteit, werkelijkheid, echtheid

Voorbeeld:

We need to face the harsh reality of the situation.
We moeten de harde realiteit van de situatie onder ogen zien.

device

/dɪˈvaɪs/

(noun) apparaat, toestel, plan

Voorbeeld:

This new device can translate languages in real-time.
Dit nieuwe apparaat kan talen in realtime vertalen.

table

/ˈteɪ.bəl/

(noun) tafel, tabel, overzicht;

(verb) uitstellen, opschorten

Voorbeeld:

We gathered around the kitchen table for dinner.
We verzamelden ons rond de keukentafel voor het avondeten.

use

/juːz/

(verb) gebruiken, benutten, uitbuiten;

(noun) gebruik, toepassing, nut

Voorbeeld:

Can I use your pen for a moment?
Mag ik je pen even gebruiken?
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland