Avatar of Vocabulary Set Top 101 - 125 Nouns

Vocabulaireverzameling Top 101 - 125 Nouns in 500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 101 - 125 Nouns' in '500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

change

/tʃeɪndʒ/

(noun) verandering, wijziging, wisselgeld;

(verb) veranderen, wijzigen, omwisselen

Voorbeeld:

We need to make some changes to the plan.
We moeten enkele wijzigingen aanbrengen in het plan.

team

/tiːm/

(noun) team, ploeg, span;

(verb) samenwerken, een team vormen

Voorbeeld:

Our sales team exceeded their targets this quarter.
Ons verkoopteam overtrof dit kwartaal hun doelen.

product

/ˈprɑː.dʌkt/

(noun) product, artikel, uitkomst

Voorbeeld:

The company launched a new software product.
Het bedrijf lanceerde een nieuw softwareproduct.

color

/ˈkʌl.ɚ/

(noun) kleur, pigment, verf;

(verb) kleuren, verven

Voorbeeld:

Red is my favorite color.
Rood is mijn favoriete kleur.

right

/raɪt/

(adjective) juist, correct, rechts;

(adverb) rechts, meteen, direct;

(noun) recht, rechten, rechts;

(verb) rechtop zetten, corrigeren;

(interjection) oké, toch

Voorbeeld:

It's not right to cheat on a test.
Het is niet juist om te spieken bij een toets.

deal

/diːl/

(noun) deal, overeenkomst, hoeveelheid;

(verb) delen, uitdelen, omgaan met

Voorbeeld:

They closed a big deal with the new client.
Ze sloten een grote deal met de nieuwe klant.

amount

/əˈmaʊnt/

(noun) hoeveelheid, bedrag;

(verb) bedragen, neerkomen op

Voorbeeld:

A large amount of money was stolen.
Een grote hoeveelheid geld werd gestolen.

air

/er/

(noun) lucht, sfeer, uitstraling;

(verb) uiten, uitzenden, ventileren

Voorbeeld:

The fresh air felt good after being indoors all day.
De frisse lucht voelde goed na de hele dag binnen te zijn geweest.

heart

/hɑːrt/

(noun) hart, gemoed, kern;

(verb) bemoedigen, aanmoedigen

Voorbeeld:

The doctor listened to her heart with a stethoscope.
De dokter luisterde met een stethoscoop naar haar hart.

comment

/ˈkɑː.ment/

(noun) opmerking, commentaar;

(verb) commentaar geven, opmerken

Voorbeeld:

She made a positive comment about his performance.
Ze maakte een positieve opmerking over zijn prestatie.

top

/tɑːp/

(noun) top, bovenkant, bovenstuk;

(adjective) bovenste, hoogste, top;

(verb) toppen, overtreffen, afdekken;

(adverb) boven, bovenop

Voorbeeld:

He reached the top of the mountain.
Hij bereikte de top van de berg.

difference

/ˈdɪf.ɚ.əns/

(noun) verschil, effect

Voorbeeld:

There's a big difference between knowing and doing.
Er is een groot verschil tussen weten en doen.

community

/kəˈmjuː.nə.t̬i/

(noun) gemeenschap, buurt, samenleving

Voorbeeld:

The local community organized a clean-up event.
De lokale gemeenschap organiseerde een opruimevenement.

answer

/ˈæn.sɚ/

(noun) antwoord, reactie;

(verb) antwoorden, beantwoorden

Voorbeeld:

She gave a quick answer to the question.
Ze gaf een snel antwoord op de vraag.

blood

/blʌd/

(noun) bloed, temperament, aard;

(verb) bloeden, bevlekken met bloed

Voorbeeld:

He lost a lot of blood in the accident.
Hij verloor veel bloed bij het ongeluk.

president

/ˈprez.ɪ.dənt/

(noun) president, rector, voorzitter

Voorbeeld:

The President addressed the nation on television.
De President sprak de natie toe op televisie.

baby

/ˈbeɪ.bi/

(noun) baby, zuigeling, schatje;

(verb) verwennen, vertroetelen;

(adjective) klein, mini

Voorbeeld:

The new parents were overjoyed with their healthy baby.
De nieuwe ouders waren dolblij met hun gezonde baby.

situation

/ˌsɪtʃ.uˈeɪ.ʃən/

(noun) situatie, toestand, omstandigheid

Voorbeeld:

The economic situation is improving.
De economische situatie verbetert.

language

/ˈlæŋ.ɡwɪdʒ/

(noun) taal, taalgebruik, stijl

Voorbeeld:

English is a widely spoken language.
Engels is een veelgesproken taal.

channel

/ˈtʃæn.əl/

(noun) kanaal, waterweg, richting;

(verb) kanaliseren, leiden, uitdrukken

Voorbeeld:

What channel is the news on?
Op welk kanaal is het nieuws?

tongue

/tʌŋ/

(noun) tong, taal;

(verb) likken

Voorbeeld:

She bit her tongue while eating.
Ze beet op haar tong tijdens het eten.

lady

/ˈleɪ.di/

(noun) dame, vrouw, mevrouw

Voorbeeld:

The young lady offered her seat to the elderly man.
De jonge dame bood haar zitplaats aan de oudere man aan.

soldier

/ˈsoʊl.dʒɚ/

(noun) soldaat;

(verb) doorgaan, volhouden

Voorbeeld:

The brave soldier fought valiantly in the battle.
De dappere soldaat vocht moedig in de strijd.

crime

/kraɪm/

(noun) misdaad, criminaliteit, schande

Voorbeeld:

He was arrested for committing a serious crime.
Hij werd gearresteerd voor het plegen van een ernstige misdaad.

price

/praɪs/

(noun) prijs, kosten, gevolg;

(verb) prijzen, waarderen, een prijs bepalen

Voorbeeld:

The price of the car is too high for me.
De prijs van de auto is te hoog voor mij.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland