Avatar of Vocabulary Set Top 151 - 175 Adjectives

Vocabulaireverzameling Top 151 - 175 Adjectives in 500 Meest Voorkomende Engelse Bijvoeglijke Naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 151 - 175 Adjectives' in '500 Meest Voorkomende Engelse Bijvoeglijke Naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

English

/ˈɪŋ.ɡlɪʃ/

(noun) Engels;

(adjective) Engels

Voorbeeld:

She is fluent in English and French.
Ze spreekt vloeiend Engels en Frans.

equal

/ˈiː.kwəl/

(adjective) gelijk, opgewassen tegen, capabel;

(noun) gelijke;

(verb) gelijk zijn aan, overeenkomen met

Voorbeeld:

All men are created equal.
Alle mensen zijn gelijk geschapen.

soft

/sɑːft/

(adjective) zacht, stil, mild;

(adverb) zachtjes, voorzichtig

Voorbeeld:

The pillow was wonderfully soft and comfortable.
Het kussen was heerlijk zacht en comfortabel.

past

/pæst/

(adjective) voorbij, verleden;

(noun) verleden;

(preposition) voorbij, langs;

(adverb) voorbij

Voorbeeld:

In past years, we used to visit this beach every summer.
In voorbije jaren bezochten we dit strand elke zomer.

foreign

/ˈfɔːr.ən/

(adjective) vreemd, buitenlands, onbekend

Voorbeeld:

She speaks three foreign languages fluently.
Ze spreekt vloeiend drie vreemde talen.

useful

/ˈjuːs.fəl/

(adjective) nuttig, bruikbaar

Voorbeeld:

This tool is very useful for fixing small electronics.
Dit gereedschap is erg nuttig voor het repareren van kleine elektronica.

national

/ˈnæʃ.ən.əl/

(adjective) nationaal, landelijk;

(noun) onderdaan, staatsburger

Voorbeeld:

The team won the national championship.
Het team won het nationale kampioenschap.

tough

/tʌf/

(adjective) sterk, taai, robuust

Voorbeeld:

This material is very tough and durable.
Dit materiaal is erg sterk en duurzaam.

bright

/braɪt/

(adjective) helder, fel, licht;

(adverb) helder, fel

Voorbeeld:

The sun was so bright that I had to put on my sunglasses.
De zon was zo fel dat ik mijn zonnebril moest opzetten.

giant

/ˈdʒaɪ.ənt/

(noun) reus, gigant, grootheid;

(adjective) gigantisch, enorm, reusachtig

Voorbeeld:

The fairy tale featured a benevolent giant who helped the villagers.
Het sprookje bevatte een welwillende reus die de dorpelingen hielp.

warm

/wɔːrm/

(adjective) warm, hartelijk;

(verb) opwarmen, verwarmen;

(adverb) warm, hartelijk

Voorbeeld:

The sun felt warm on my skin.
De zon voelde warm op mijn huid.

unique

/juːˈniːk/

(adjective) uniek, enig in zijn soort, bijzonder

Voorbeeld:

Each person's fingerprints are unique.
De vingerafdrukken van elke persoon zijn uniek.

massive

/ˈmæs.ɪv/

(adjective) massief, enorm, aanzienlijk

Voorbeeld:

The building has a massive oak door.
Het gebouw heeft een massieve eiken deur.

fresh

/freʃ/

(adjective) vers, fris, schoon;

(adverb) opnieuw, vers

Voorbeeld:

She bought fresh vegetables from the market.
Ze kocht verse groenten op de markt.

recent

/ˈriː.sənt/

(adjective) recent, laatste, jongste

Voorbeeld:

I read a recent article about climate change.
Ik las een recent artikel over klimaatverandering.

alive

/əˈlaɪv/

(adjective) levend, in leven, levendig

Voorbeeld:

Is your grandmother still alive?
Is je grootmoeder nog in leven?

very

/ˈver.i/

(adverb) erg, zeer;

(adjective) precies, zelf

Voorbeeld:

She is very kind.
Ze is erg aardig.

clean

/kliːn/

(adjective) schoon, rein, zuiver;

(verb) schoonmaken, reinigen;

(adverb) schoon, helemaal

Voorbeeld:

Please make sure your hands are clean before dinner.
Zorg ervoor dat je handen schoon zijn voor het avondeten.

afraid

/əˈfreɪd/

(adjective) bang, bevreesd, helaas

Voorbeeld:

She was afraid of the dark.
Ze was bang in het donker.

fair

/fer/

(adjective) eerlijk, rechtvaardig, licht;

(noun) kermis, beurs;

(verb) verlichten, ophelderen;

(adverb) eerlijk, rechtvaardig

Voorbeeld:

The teacher was always fair to all her students.
De lerares was altijd eerlijk tegen al haar studenten.

willing

/ˈwɪl.ɪŋ/

(adjective) bereid, willig, genegen

Voorbeeld:

She is always willing to help others.
Ze is altijd bereid om anderen te helpen.

comfortable

/ˈkʌm.fɚ.t̬ə.bəl/

(adjective) comfortabel, gemakkelijk, op zijn gemak

Voorbeeld:

This chair is very comfortable.
Deze stoel is erg comfortabel.

effective

/əˈfek.tɪv/

(adjective) effectief, doeltreffend, van kracht

Voorbeeld:

The new policy proved to be very effective in reducing crime.
Het nieuwe beleid bleek zeer effectief in het verminderen van criminaliteit.

wide

/waɪd/

(adjective) breed, wijd, uitgebreid;

(adverb) wijd, helemaal

Voorbeeld:

The river is very wide at this point.
De rivier is op dit punt erg breed.

traditional

/trəˈdɪʃ.ən.əl/

(adjective) traditioneel, gebruikelijk

Voorbeeld:

The village still follows traditional customs.
Het dorp volgt nog steeds traditionele gebruiken.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland