Avatar of Vocabulary Set C1 - Soorten Gebouwen en Constructies

Vocabulaireverzameling C1 - Soorten Gebouwen en Constructies in Niveau C1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'C1 - Soorten Gebouwen en Constructies' in 'Niveau C1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

adjacent

/əˈdʒeɪ.sənt/

(adjective) aangrenzend, naastgelegen

Voorbeeld:

The school is adjacent to the park.
De school is aangrenzend aan het park.

architectural

/ˌɑːr.kəˈtek.tʃɚ.əl/

(adjective) architectonisch

Voorbeeld:

The city is known for its stunning architectural designs.
De stad staat bekend om zijn verbluffende architectonische ontwerpen.

interior

/ɪnˈtɪr.i.ɚ/

(noun) interieur, binnenkant, binnenland;

(adjective) binnenste, intern

Voorbeeld:

The interior of the car was spacious and comfortable.
Het interieur van de auto was ruim en comfortabel.

exterior

/ɪkˈstɪr.i.ɚ/

(noun) buitenkant, exterieur, uiterlijk;

(adjective) extern, buiten-

Voorbeeld:

The exterior of the house was painted a light blue.
De buitenkant van het huis was lichtblauw geverfd.

insulated

/ˈɪn.sə.leɪ.tɪd/

(adjective) geïsoleerd, afgeschermd;

(past participle) isoleren

Voorbeeld:

The house has well-insulated walls to keep it warm in winter.
Het huis heeft goed geïsoleerde muren om het warm te houden in de winter.

municipal

/mjuːˈnɪs.ə.pəl/

(adjective) gemeentelijk, stedelijk

Voorbeeld:

The municipal government is responsible for local services.
De gemeentelijke overheid is verantwoordelijk voor lokale diensten.

residential

/ˌrez.əˈden.ʃəl/

(adjective) residentieel, woon-

Voorbeeld:

This is a quiet residential area.
Dit is een rustige woonwijk.

suburban

/səˈbɝː.bən/

(adjective) voorstedelijk, suburbaan

Voorbeeld:

They live in a quiet suburban neighborhood.
Ze wonen in een rustige voorstedelijke buurt.

vacant

/ˈveɪ.kənt/

(adjective) leeg, vrij, afwezig

Voorbeeld:

The house has been vacant for a year.
Het huis staat al een jaar leeg.

assemble

/əˈsem.bəl/

(verb) verzamelen, bijeenkomen, monteren

Voorbeeld:

The students began to assemble in the auditorium for the morning meeting.
De studenten begonnen zich te verzamelen in de aula voor de ochtendvergadering.

decay

/dɪˈkeɪ/

(noun) verval, bederf, rot;

(verb) vergaan, rotten, bederven

Voorbeeld:

The old wooden fence was showing signs of decay.
De oude houten schutting vertoonde tekenen van verval.

demolish

/dɪˈmɑː.lɪʃ/

(verb) slopen, afbreken, vernietigen

Voorbeeld:

The old factory was demolished to make way for new apartments.
De oude fabriek werd gesloopt om plaats te maken voor nieuwe appartementen.

erect

/ɪˈrekt/

(adjective) rechtop, opgericht;

(verb) oprichten, bouwen

Voorbeeld:

The soldier stood erect at attention.
De soldaat stond rechtop in de houding.

refurbish

/ˌriːˈfɝː.bɪʃ/

(verb) renoveren, opknappen

Voorbeeld:

We plan to refurbish the old house next summer.
We zijn van plan het oude huis volgende zomer te renoveren.

renovate

/ˈren.ə.veɪt/

(verb) renoveren, opknappen

Voorbeeld:

They decided to renovate their old house.
Ze besloten hun oude huis te renoveren.

bungalow

/ˈbʌŋ.ɡəl.oʊ/

(noun) bungalow

Voorbeeld:

They decided to buy a charming bungalow by the sea.
Ze besloten een charmante bungalow aan zee te kopen.

court

/kɔːrt/

(noun) rechtbank, gerechtshof, baan;

(verb) versieren, winnen

Voorbeeld:

The suspect was brought before the court.
De verdachte werd voor de rechtbank gebracht.

dome

/doʊm/

(noun) koepel, koepelvormige structuur;

(verb) overkoepelen, koepelvormig maken

Voorbeeld:

The cathedral is topped with a magnificent dome.
De kathedraal is bekroond met een prachtige koepel.

sauna

/ˈsɑː.nə/

(noun) sauna;

(verb) saunaën, een sauna nemen

Voorbeeld:

After a long day, a session in the sauna is very relaxing.
Na een lange dag is een sessie in de sauna erg ontspannend.

igloo

/ˈɪɡ.luː/

(noun) iglo

Voorbeeld:

The Inuit people traditionally built igloos as temporary shelters.
De Inuit-bevolking bouwde traditioneel iglo's als tijdelijke schuilplaatsen.

high-rise

/ˈhaɪ.raɪz/

(noun) hoogbouw, wolkenkrabber;

(adjective) hoog, met veel verdiepingen

Voorbeeld:

The city skyline is dominated by modern high-rise buildings.
De skyline van de stad wordt gedomineerd door moderne hoogbouw.

lighthouse

/ˈlaɪt.haʊs/

(noun) vuurtoren

Voorbeeld:

The old lighthouse stood proudly on the cliff.
De oude vuurtoren stond trots op de klif.

pier

/pɪr/

(noun) pier, aanlegsteiger, pijler

Voorbeeld:

We walked along the pier, enjoying the sea breeze.
We liepen langs de pier, genietend van de zeebries.

premises

/ˈprem.ɪ.sɪz/

(noun) pand, terrein, gebouw

Voorbeeld:

The company is moving to new premises next month.
Het bedrijf verhuist volgende maand naar nieuwe panden.

arch

/ɑːrtʃ/

(noun) boog, voetboog;

(verb) buigen, welven;

(adjective) ondeugend, schelmachtig

Voorbeeld:

The bridge has a beautiful stone arch.
De brug heeft een prachtige stenen boog.

beam

/biːm/

(noun) balk, straal;

(verb) stralen, glimlachen, uitzenden

Voorbeeld:

The old house had exposed wooden beams.
Het oude huis had zichtbare houten balken.

cement

/səˈment/

(noun) cement, lijm, hechtmiddel;

(verb) cementeren, vastzetten, versterken

Voorbeeld:

The workers mixed sand, gravel, and cement to make concrete.
De arbeiders mengden zand, grind en cement om beton te maken.

tile

/taɪl/

(noun) tegel, dakpan;

(verb) betegelen, dakpannen leggen

Voorbeeld:

We chose ceramic tiles for the bathroom floor.
We kozen keramische tegels voor de badkamervloer.

marble

/ˈmɑːr.bəl/

(noun) marmer, knikker;

(verb) marmeren

Voorbeeld:

The statue was carved from a single block of marble.
Het standbeeld was gehouwen uit een enkel blok marmer.

crane

/kreɪn/

(noun) kraan, hijskraan, kraanvogel;

(verb) rekken, uitstrekken

Voorbeeld:

The construction site had a massive crane lifting steel beams.
De bouwplaats had een enorme kraan die stalen balken tilde.

escalator

/ˈes.kə.leɪ.t̬ɚ/

(noun) roltrap

Voorbeeld:

Take the escalator to the second floor.
Neem de roltrap naar de tweede verdieping.

addition

/əˈdɪʃ.ən/

(noun) toevoeging, aanvulling, optellen

Voorbeeld:

The addition of sugar made the cake sweeter.
De toevoeging van suiker maakte de cake zoeter.

flooring

/ˈflɔːr.ɪŋ/

(noun) vloerbedekking, vloer

Voorbeeld:

We chose hardwood flooring for the living room.
We kozen hardhouten vloerbedekking voor de woonkamer.

foundation

/faʊnˈdeɪ.ʃən/

(noun) fundering, basis, grondslag

Voorbeeld:

The house has a strong concrete foundation.
Het huis heeft een sterke betonnen fundering.

layout

/ˈleɪ.aʊt/

(noun) indeling, opmaak, lay-out;

(verb) indelen, opmaken, uittekenen

Voorbeeld:

The layout of the new office is very efficient.
De indeling van het nieuwe kantoor is zeer efficiënt.

plumbing

/ˈplʌm.ɪŋ/

(noun) loodgieterswerk, sanitair, buizenstelsel

Voorbeeld:

The old house needed extensive plumbing repairs.
Het oude huis had uitgebreide loodgieterswerk reparaties nodig.

embassy

/ˈem.bə.si/

(noun) ambassade, diplomatieke missie, ambassadepersoneel

Voorbeeld:

The new ambassador arrived at the embassy this morning.
De nieuwe ambassadeur arriveerde vanochtend bij de ambassade.

windowpane

/ˈwɪn.doʊ.peɪn/

(noun) vensterglas, ruit

Voorbeeld:

The rain streaked down the windowpane.
De regen stroomde langs het vensterglas.

chalet

/ˈʃæl.eɪ/

(noun) chalet

Voorbeeld:

They rented a cozy chalet for their ski vacation in the Alps.
Ze huurden een gezellig chalet voor hun skivakantie in de Alpen.

lobby

/ˈlɑː.bi/

(noun) lobby, belangengroep, hal;

(verb) lobbyen, beïnvloeden

Voorbeeld:

The gun lobby is very powerful in this country.
De wapenlobby is erg machtig in dit land.

thatched

/θætʃt/

(adjective) rietgedekt, met rieten dak

Voorbeeld:

The old cottage had a beautiful thatched roof.
Het oude huisje had een prachtig rietgedekt dak.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland