Vocabulaireverzameling C1 - Zeer noodzakelijke bijvoeglijke naamwoorden in Niveau C1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'C1 - Zeer noodzakelijke bijvoeglijke naamwoorden' in 'Niveau C1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) vergelijkbaar, gelijkwaardig
Voorbeeld:
(adjective) overeenkomstig, corresponderend
Voorbeeld:
(adjective) onderscheidend, kenmerkend, distinctief
Voorbeeld:
(adjective) dubbel, tweevoudig
Voorbeeld:
(adjective) uitzonderlijk, ongewoon, buitengewoon
Voorbeeld:
(noun) overschot, overmaat, teveel;
(adjective) overtollig, extra
Voorbeeld:
(adjective) exclusief, beperkt, uitsluitend;
(noun) exclusief, primeur
Voorbeeld:
(adjective) expliciet, duidelijk, ongecensureerd
Voorbeeld:
(adjective) generiek, algemeen;
(noun) generiek, generiek medicijn
Voorbeeld:
(adjective) ontoereikend, onvoldoende, gebrekkig
Voorbeeld:
(adjective) inherent, aangeboren, wezenlijk
Voorbeeld:
(adjective) onvoldoende, ontoereikend
Voorbeeld:
(adjective) integraal, essentieel, geheel;
(noun) integraal
Voorbeeld:
(adjective) tussenliggend, intermediair;
(noun) tussenpersoon, intermediair
Voorbeeld:
(adjective) minder, geringer;
(adverb) minder, in mindere mate
Voorbeeld:
(adjective) magisch, betoverend, prachtig
Voorbeeld:
(adjective) magnetisch, aantrekkelijk
Voorbeeld:
(adjective) slechts, enkel
Voorbeeld:
(adjective) vreemd, eigenaardig, bijzonder
Voorbeeld:
(adjective) respectievelijk, onderscheiden
Voorbeeld:
(adjective) verspreid, verstrooid, sporadisch;
(past participle) verspreidde, strooide
Voorbeeld:
(adjective) selectief, kieskeurig, beperkt
Voorbeeld:
(adjective) serieel, opeenvolgend, in afleveringen;
(noun) serie, feuilleton
Voorbeeld:
(adjective) puur, volledig, absoluut;
(adverb) loodrecht, steil;
(verb) afbreken, afscheuren, uitwijken
Voorbeeld:
(noun) voetzool, zool, tong;
(adjective) enig, alleen;
(verb) verzolen
Voorbeeld:
(adjective) gespecialiseerd, specifiek
Voorbeeld:
(adjective) grimmig, kaal, strak;
(adverb) helemaal, volledig
Voorbeeld:
(adjective) opperste, hoogste, uitmuntend
Voorbeeld:
(adjective) terminaal, eind-, dodelijk;
(noun) terminal, station, aansluiting
Voorbeeld:
(adjective) tijdig, opportuun;
(adverb) tijdig, opportuun
Voorbeeld:
(adjective) enorm, geweldig, reusachtig
Voorbeeld:
(adjective) moeilijk, problematisch, bezorgd
Voorbeeld:
(adjective) onderliggend, fundamenteel
Voorbeeld:
(adjective) ongekend, nooit eerder vertoond
Voorbeeld:
(adjective) aanstaand, komend, naderend
Voorbeeld:
(adjective) vaag, onduidelijk
Voorbeeld:
(adjective) gevarieerd, divers, wisselvallig
Voorbeeld:
(adjective) kwetsbaar, aanvaller
Voorbeeld:
(adjective) de moeite waard, lonend
Voorbeeld:
(adjective) eersteklas, uitstekend
Voorbeeld: