Vocabulaireverzameling C1 - Aan de slag! in Niveau C1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'C1 - Aan de slag!' in 'Niveau C1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) verwerving, aanleren, aanwinst
Voorbeeld:
(abbreviation) MBA, Master of Business Administration
Voorbeeld:
(verb) associëren, verbinden, zich aansluiten bij;
(noun) partner, collega;
(adjective) geassocieerd, adjunct
Voorbeeld:
(noun) retailer, detailhandelaar
Voorbeeld:
(noun) grondstof, handelswaar, goed
Voorbeeld:
(noun) koopwaar, handelswaar;
(verb) promoten, verkopen
Voorbeeld:
(adjective) coöperatief, samenwerkend, meewerkend;
(noun) coöperatie
Voorbeeld:
(noun) audit, controle;
(verb) auditen, controleren
Voorbeeld:
(noun) tekort, deficiëntie, beperking
Voorbeeld:
(noun) uitgave, uitgaven, verbruik
Voorbeeld:
(noun) factuur;
(verb) factureren
Voorbeeld:
(noun) marge, rand, winstmarge;
(verb) marges aanbrengen
Voorbeeld:
(noun) omzet, personeelsverloop, verloop
Voorbeeld:
(verb) opleveren, produceren, opbrengen;
(noun) opbrengst, productie, rendement
Voorbeeld:
(noun) onderneming, project, bedrijf
Voorbeeld:
(noun) franchise, licentie, stemrecht;
(verb) franchisen, licentiëren, stemrecht verlenen
Voorbeeld:
(noun) start-up, beginnend bedrijf
Voorbeeld:
(abbreviation) B.V., Ltd
Voorbeeld:
(noun) onderneming, avontuur, risicovolle onderneming;
(verb) wagen, zich wagen aan, ondernemen
Voorbeeld:
(noun) net, het internet, het net;
(verb) vangen, netten, netto verdienen;
(adjective) netto
Voorbeeld:
(adjective) geïncorporeerd, opgericht, opgenomen;
(verb) opnemen, integreren, incorporeren
Voorbeeld:
(adjective) management-, bestuurlijk
Voorbeeld:
(adjective) winstgevend, rendabel, voordelig
Voorbeeld:
(verb) besturen, beheren, toedienen
Voorbeeld:
(verb) sluiten, dichtdoen, afsluiten;
(adjective) dichtbij, nabij, nauwkeurig;
(adverb) dichtbij, nabij
Voorbeeld:
(verb) onderschrijven, steunen, endosseren
Voorbeeld:
(verb) fuseren, samenvoegen, verenigen
Voorbeeld:
(verb) publiceren, bekendmaken, reclame maken voor
Voorbeeld:
(phrasal verb) overnemen, de controle overnemen, overheersen
Voorbeeld:
(noun) octrooi, patent;
(verb) patenteren, octrooieren;
(adjective) duidelijk, klaarblijkelijk
Voorbeeld:
(abbreviation) PR, public relations
Voorbeeld:
(noun) verzending, scheepvaart, zeevervoer;
(verb) verzenden, binnenlaten
Voorbeeld:
(noun) magazijn, opslagplaats;
(verb) opslaan, magazineren
Voorbeeld:
(adjective) operationeel, werkend, bedrijfsmatig
Voorbeeld: