Avatar of Vocabulary Set B2 - Plant voor de planeet!

Vocabulaireverzameling B2 - Plant voor de planeet! in Niveau B2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B2 - Plant voor de planeet!' in 'Niveau B2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

branch

/bræntʃ/

(noun) tak, filiaal, vestiging;

(verb) vertakken, splitsen

Voorbeeld:

The bird landed on a high branch.
De vogel landde op een hoge tak.

root

/ruːt/

(noun) wortel, oorzaak, grondslag;

(verb) wortelen, zich vestigen, doen wortelen

Voorbeeld:

The tree's roots spread deep into the soil.
De wortels van de boom verspreiden zich diep in de grond.

trunk

/trʌŋk/

(noun) stam, slurf, koffer

Voorbeeld:

The elephant rubbed its back against the rough trunk of the tree.
De olifant wreef zijn rug tegen de ruwe stam van de boom.

twig

/twɪɡ/

(noun) takje, twijg;

(verb) begrijpen, doorhebben

Voorbeeld:

The bird collected small twigs to build its nest.
De vogel verzamelde kleine takjes om zijn nest te bouwen.

bush

/bʊʃ/

(noun) struik, bosje

Voorbeeld:

The bird built its nest in the rose bush.
De vogel bouwde zijn nest in de rozenstruik.

ash

/æʃ/

(noun) as, es, essenboom

Voorbeeld:

The fireplace was full of cold ash.
De open haard zat vol koude as.

bamboo

/bæmˈbuː/

(noun) bamboe

Voorbeeld:

The giant panda's diet consists almost entirely of bamboo.
Het dieet van de reuzenpanda bestaat bijna volledig uit bamboe.

eucalyptus

/ˌjuː.kəlˈɪp.təs/

(noun) eucalyptus

Voorbeeld:

The scent of eucalyptus filled the air.
De geur van eucalyptus vulde de lucht.

evergreen

/ˈev.ɚ.ɡriːn/

(noun) groenblijvende plant;

(adjective) groenblijvend, tijdloos, altijd populair

Voorbeeld:

Pine trees are a common type of evergreen.
Dennenbomen zijn een veelvoorkomend type groenblijvende plant.

fir

/ˈfɝː/

(noun) spar, den

Voorbeeld:

The scent of pine and fir filled the air.
De geur van dennen en sparren vulde de lucht.

holly

/ˈhɑː.li/

(noun) hulst

Voorbeeld:

The house was decorated with holly and ivy for Christmas.
Het huis was versierd met hulst en klimop voor Kerstmis.

ivy

/ˈaɪ.vi/

(noun) klimop

Voorbeeld:

The old stone wall was covered in thick ivy.
De oude stenen muur was bedekt met dikke klimop.

oak

/oʊk/

(noun) eik, eikenboom

Voorbeeld:

The ancient oak stood tall in the forest.
De oude eik stond hoog in het bos.

palm

/pɑːm/

(noun) handpalm, palmboom;

(verb) verbergen, verstoppen, verpatsen

Voorbeeld:

She held the small bird gently in her palm.
Ze hield het kleine vogeltje voorzichtig in haar handpalm.

pine

/paɪn/

(noun) den, dennenboom;

(verb) kwijnen, verlangen

Voorbeeld:

The scent of pine filled the air.
De geur van dennen vulde de lucht.

vine

/vaɪn/

(noun) rank, klimplant;

(verb) ranken, klimmen

Voorbeeld:

The grape vine was heavy with fruit.
De druivenrank hing zwaar van de vruchten.

willow

/ˈwɪl.oʊ/

(noun) wilg

Voorbeeld:

The graceful willow trees lined the riverbank.
De sierlijke wilgen stonden langs de rivieroever.

weeping willow

/ˈwiːpɪŋ ˈwɪloʊ/

(noun) treurwilg

Voorbeeld:

The old weeping willow by the pond provided shade on hot summer days.
De oude treurwilg bij de vijver bood schaduw op hete zomerdagen.

bloom

/bluːm/

(noun) bloem, bloei, hoogtijdagen;

(verb) bloeien, in bloei staan, floreren

Voorbeeld:

The rose bush was covered in beautiful blooms.
De rozenstruik was bedekt met prachtige bloemen.

blossom

/ˈblɑː.səm/

(noun) bloesem, bloem;

(verb) bloeien, uitkomen, ontluiken

Voorbeeld:

The apple trees are covered in beautiful pink blossom.
De appelbomen zijn bedekt met prachtige roze bloesem.

bud

/bʌd/

(noun) knop, vriend, maatje;

(verb) uitlopen, ontspruiten

Voorbeeld:

The rose bush is full of new buds.
De rozenstruik zit vol met nieuwe knoppen.

leaf

/liːf/

(noun) blad, pagina;

(idiom) een nieuw blad omslaan, een nieuwe start maken;

(verb) bladeren, doorbladeren

Voorbeeld:

The tree shed its leaves in autumn.
De boom verloor zijn bladeren in de herfst.

stem

/stem/

(noun) stengel, stam, woordstam;

(verb) voortkomen uit, ontspringen, stoppen

Voorbeeld:

The rose stem had sharp thorns.
De rozenstengel had scherpe doornen.

thorn

/θɔːrn/

(noun) doorn, doorn in het oog, bron van ergernis

Voorbeeld:

Be careful not to prick your finger on a thorn.
Pas op dat je je vinger niet prikt aan een doorn.

daffodil

/ˈdæf.ə.dɪl/

(noun) narcis

Voorbeeld:

The garden was full of bright yellow daffodils in spring.
De tuin stond vol met felgele narcissen in de lente.

daisy

/ˈdeɪ.zi/

(noun) madeliefje

Voorbeeld:

She picked a fresh daisy from the field.
Ze plukte een verse madeliefje uit het veld.

lotus

/ˈloʊ.t̬əs/

(noun) lotus, lotusbloem

Voorbeeld:

The sacred lotus flower is a symbol of purity in many cultures.
De heilige lotusbloem is een symbool van zuiverheid in veel culturen.

tulip

/ˈtuː.lɪp/

(noun) tulp

Voorbeeld:

The garden was filled with vibrant red and yellow tulips.
De tuin was gevuld met levendige rode en gele tulpen.

violet

/ˈvaɪə.lət/

(noun) viooltje, violet, paars;

(adjective) violet, paars

Voorbeeld:

She planted some beautiful violets in her garden.
Ze plantte enkele prachtige viooltjes in haar tuin.

lavender

/ˈlæv.ɪn.dɚ/

(noun) lavendel, lavendelkleur, lichtpaars;

(adjective) lavendelkleurig, lichtpaars

Voorbeeld:

The garden was filled with the sweet scent of lavender.
De tuin was gevuld met de zoete geur van lavendel.

weed

/wiːd/

(noun) onkruid, wiet, marihuana;

(verb) wieden, onkruid verwijderen, uitroeien

Voorbeeld:

The garden was overgrown with weeds.
De tuin was overwoekerd met onkruid.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland