Vocabulaireverzameling B2 - Het is allemaal politiek! in Niveau B2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B2 - Het is allemaal politiek!' in 'Niveau B2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) huiselijk, huishoudelijk, binnenlands;
(noun) huishoudster, dienstbode
Voorbeeld:
(adjective) federaal, centraal
Voorbeeld:
(adjective) onafhankelijk, zelfstandig, afzonderlijk;
(noun) onafhankelijke, zelfstandige
Voorbeeld:
(adjective) officieel, ambtelijk, erkend;
(noun) functionaris, ambtenaar
Voorbeeld:
(adjective) presidentieel
Voorbeeld:
(noun) revolutie, ingrijpende verandering, omwenteling
Voorbeeld:
(adjective) revolutionair, baanbrekend;
(noun) revolutionair, opstandeling
Voorbeeld:
(noun) congres, vergadering, Congres
Voorbeeld:
(noun) conservatief;
(adjective) conservatief
Voorbeeld:
(noun) Conservatieve Partij
Voorbeeld:
(noun) Republikeinse Partij
Voorbeeld:
(noun) democraat, Democraat
Voorbeeld:
(noun) Democratische Partij
Voorbeeld:
(noun) Labour Party, Arbeiderspartij
Voorbeeld:
(noun) rug, achterkant;
(adverb) terug, achteruit, vroeger;
(adjective) achterste;
(verb) achteruitgaan, steunen, ondersteunen
Voorbeeld:
(noun) debat, discussie;
(verb) debatteren, bediscussiëren
Voorbeeld:
(verb) regeren, besturen, leiden
Voorbeeld:
(noun) regering, overheid, regeringsvorm
Voorbeeld:
(noun) democratie, democratische staat
Voorbeeld:
(noun) dictatuur, alleenheerschappij
Voorbeeld:
(noun) koninkrijk, rijk, domein
Voorbeeld:
(noun) monarchie, koninkrijk
Voorbeeld:
(noun) onafhankelijkheid, zelfstandigheid
Voorbeeld:
(noun) mensenrecht
Voorbeeld:
(noun) natie, land
Voorbeeld:
(noun) complot, samenzwering, plot;
(verb) complotteren, beramen, plotten
Voorbeeld:
(noun) staat, toestand;
(verb) verklaren, stellen
Voorbeeld:
(noun) meerderheid, meerderjarigheid, volwassenheid
Voorbeeld:
(abbreviation) PM, namiddag
Voorbeeld:
(noun) minister, dominee, predikant;
(verb) verzorgen, dienen
Voorbeeld:
(noun) secretaresse, secretaris, minister
Voorbeeld:
(noun) woordvoerder
Voorbeeld:
(noun) onderhandeling
Voorbeeld:
(noun) oppositie, weerstand, oppositiepartij
Voorbeeld:
(noun) beleid, richtlijn, polis
Voorbeeld:
(noun) presidentschap, ambtstermijn
Voorbeeld:
(verb) rennen, lopen, werken;
(noun) loop, ren, periode
Voorbeeld:
(noun) zitplaats, stoel, zetel;
(verb) plaatsen, doen zitten
Voorbeeld:
(noun) stemmen, stemming;
(adjective) stem, kies;
(verb) stemmen
Voorbeeld:
(noun) grondgebied, gebied, territorium
Voorbeeld: