Avatar of Vocabulary Set B2 - Wij vertrouwen op God!

Vocabulaireverzameling B2 - Wij vertrouwen op God! in Niveau B2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B2 - Wij vertrouwen op God!' in 'Niveau B2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

altar

/ˈɑːl.tɚ/

(noun) altaar

Voorbeeld:

The priest placed the offerings on the altar.
De priester plaatste de offergaven op het altaar.

cross

/krɑːs/

(noun) kruis, kruising, hybride;

(verb) oversteken, doorkruisen, kruisen;

(adjective) boos, geïrriteerd

Voorbeeld:

Draw a cross on the map to mark the spot.
Teken een kruis op de kaart om de plek te markeren.

atheism

/ˈeɪ.θi.ɪ.zəm/

(noun) atheïsme

Voorbeeld:

His embrace of atheism was a result of years of philosophical inquiry.
Zijn omarming van het atheïsme was het resultaat van jarenlang filosofisch onderzoek.

buddhism

/ˈbʊd.ɪ.zəm/

(noun) boeddhisme

Voorbeeld:

Many people around the world practice Buddhism.
Veel mensen over de hele wereld beoefenen het boeddhisme.

christian

/ˈkrɪs.tʃən/

(noun) christen;

(adjective) christelijk

Voorbeeld:

Many Christians attend church on Sundays.
Veel christenen gaan op zondag naar de kerk.

christianity

/ˌkrɪs.tʃiˈæn.ə.t̬i/

(noun) christendom

Voorbeeld:

Christianity is one of the world's largest religions.
Het christendom is een van 's werelds grootste religies.

hindu

/ˈhɪn.duː/

(noun) hindoe;

(adjective) hindoe, hindoeïstisch

Voorbeeld:

Many Hindus celebrate Diwali, the festival of lights.
Veel hindoes vieren Diwali, het lichtfeest.

jew

/dʒuː/

(noun) Jood

Voorbeeld:

Many Jews celebrate Passover.
Veel Joden vieren Pesach.

Jewish

/ˈdʒuː.ɪʃ/

(adjective) Joods

Voorbeeld:

She comes from a large Jewish family.
Ze komt uit een grote Joodse familie.

muslim

/ˈmɑː.zlem/

(noun) moslim;

(adjective) islamitisch, moslim

Voorbeeld:

As a Muslim, he observes the five daily prayers.
Als moslim observeert hij de vijf dagelijkse gebeden.

pagan

/ˈpeɪ.ɡən/

(noun) heiden;

(adjective) heiden, heidens

Voorbeeld:

Ancient Romans were often considered pagans by early Christians.
Oude Romeinen werden door vroege christenen vaak als heidenen beschouwd.

lord

/lɔːrd/

(noun) heer, meester, Heer;

(verb) tot heer verheffen, heerschappij geven;

(exclamation) Heer, God

Voorbeeld:

The feudal lord controlled vast lands and many serfs.
De feodale heer beheerste uitgestrekte landen en vele lijfeigenen.

bible

/ˈbaɪ.bəl/

(noun) Bijbel, bijbel, standaardwerk

Voorbeeld:

She reads a chapter from the Bible every night.
Ze leest elke avond een hoofdstuk uit de Bijbel.

gospel

/ˈɡɑː.spəl/

(noun) evangelie, leer, geloofsleer

Voorbeeld:

He dedicated his life to spreading the gospel.
Hij wijdde zijn leven aan het verspreiden van het evangelie.

heaven

/ˈhev.ən/

(noun) hemel, firmament, zaligheid

Voorbeeld:

Many believe that after death, good people go to heaven.
Velen geloven dat na de dood goede mensen naar de hemel gaan.

hell

/hel/

(noun) hel, ellende, marteling;

(exclamation) hel, verdomme

Voorbeeld:

According to some beliefs, sinners go to hell.
Volgens sommige overtuigingen gaan zondaars naar de hel.

sin

/sɪn/

(noun) zonde, schande;

(verb) zondigen

Voorbeeld:

He confessed his sins to the priest.
Hij bekende zijn zonden aan de priester.

vice

/vaɪs/

(noun) ondeugd, gebrek, bankschroef;

(prefix) vice, plaatsvervangend

Voorbeeld:

Gambling is considered a vice by many.
Gokken wordt door velen als een ondeugd beschouwd.

grace

/ɡreɪs/

(noun) gratie, elegantie, welwillendheid;

(verb) verfraaien, vereren

Voorbeeld:

She moved with effortless grace across the stage.
Ze bewoog met moeiteloze gratie over het podium.

pride

/praɪd/

(noun) trots, fierheid, hoogmoed;

(verb) trots zijn op, zich beroemen op

Voorbeeld:

She felt a great sense of pride as she watched her daughter graduate.
Ze voelde een groot gevoel van trots toen ze haar dochter zag afstuderen.

greed

/ɡriːd/

(noun) hebzucht, gulzigheid

Voorbeeld:

His greed led him to betray his friends.
Zijn hebzucht leidde hem ertoe zijn vrienden te verraden.

lust

/lʌst/

(noun) lust, begeerte;

(verb) verlangen naar, begeren

Voorbeeld:

He felt a powerful surge of lust for her.
Hij voelde een krachtige golf van lust voor haar.

envy

/ˈen.vi/

(noun) jaloezie, afgunst;

(verb) benijden, afgunstig zijn op

Voorbeeld:

She felt a pang of envy when she saw his new car.
Ze voelde een steek van jaloezie toen ze zijn nieuwe auto zag.

laziness

/ˈleɪ.zi.nəs/

(noun) luiheid, gemakzucht

Voorbeeld:

His laziness prevented him from finishing the project on time.
Zijn luiheid verhinderde hem om het project op tijd af te maken.

confess

/kənˈfes/

(verb) bekennen, toegeven, biechten

Voorbeeld:

He had to confess that he had cheated on the exam.
Hij moest bekennen dat hij had valsgespeeld bij het examen.

convert

/kənˈvɝːt/

(verb) omzetten, verbouwen, converteren;

(noun) bekeerling, overtuigde

Voorbeeld:

They decided to convert the old barn into a guesthouse.
Ze besloten de oude schuur te verbouwen tot een gastenverblijf.

forgive

/fɚˈɡɪv/

(verb) vergeven, kwijtschelden

Voorbeeld:

I can never forgive him for what he did.
Ik kan hem nooit vergeven voor wat hij heeft gedaan.

trust

/trʌst/

(noun) vertrouwen, trust, fiducie;

(verb) vertrouwen, toevertrouwen, aanvertrouwen

Voorbeeld:

She placed her complete trust in her lawyer.
Ze stelde haar volledige vertrouwen in haar advocaat.

devil

/ˈdev.əl/

(noun) duivel, demon, ondeugd;

(verb) kruiden, fijnmaken

Voorbeeld:

He believed he was possessed by a devil.
Hij geloofde dat hij bezeten was door een duivel.

prophet

/ˈprɑː.fɪt/

(noun) profeet, voorspeller, ziener

Voorbeeld:

Moses is considered a great prophet in many religions.
Mozes wordt in veel religies als een grote profeet beschouwd.

minister

/-stɚ/

(noun) minister, dominee, predikant;

(verb) verzorgen, dienen

Voorbeeld:

The Prime Minister announced new policies.
De premier kondigde nieuw beleid aan.

service

/ˈsɝː.vɪs/

(noun) dienst, service, voorziening;

(verb) dienen, werken voor, serveren

Voorbeeld:

The hotel provides excellent room service.
Het hotel biedt uitstekende roomservice.

soul

/soʊl/

(noun) ziel, gevoel, passie

Voorbeeld:

Many believe the soul continues to exist after death.
Velen geloven dat de ziel na de dood blijft bestaan.

conservative

/kənˈsɝː.və.t̬ɪv/

(noun) conservatief;

(adjective) conservatief

Voorbeeld:

My grandfather is a staunch conservative.
Mijn grootvader is een overtuigde conservatief.

spiritual

/ˈspɪr.ə.tʃu.əl/

(adjective) spiritueel, geestelijk, religieus;

(noun) spiritual, gospelnummer

Voorbeeld:

She finds great comfort in spiritual practices like meditation.
Ze vindt veel troost in spirituele praktijken zoals meditatie.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland