Avatar of Vocabulary Set B2 - Goed eten, goed humeur!

Vocabulaireverzameling B2 - Goed eten, goed humeur! in Niveau B2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B2 - Goed eten, goed humeur!' in 'Niveau B2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

cuisine

/kwɪˈziːn/

(noun) keuken, kookkunst

Voorbeeld:

French cuisine is known for its rich sauces and delicate pastries.
De Franse keuken staat bekend om zijn rijke sauzen en delicate gebakjes.

carbohydrate

/ˌkɑːr.boʊˈhaɪ.dreɪt/

(noun) koolhydraat

Voorbeeld:

Pasta is a good source of carbohydrates.
Pasta is een goede bron van koolhydraten.

bagel

/ˈbeɪ.ɡəl/

(noun) bagel

Voorbeeld:

I had a sesame bagel with cream cheese for breakfast.
Ik had een sesambagel met roomkaas als ontbijt.

baguette

/bæɡˈet/

(noun) baguette, stokbrood

Voorbeeld:

She bought a fresh baguette for dinner.
Ze kocht een verse baguette voor het avondeten.

cereal

/ˈsɪr.i.əl/

(noun) graan, graangewas, ontbijtgranen

Voorbeeld:

Wheat is a common cereal crop.
Tarwe is een veelvoorkomend graangewas.

pastry

/ˈpeɪ.stri/

(noun) deeg, gebak, patisserie

Voorbeeld:

She made a delicious apple pie with a flaky pastry crust.
Ze maakte een heerlijke appeltaart met een schilferige deegkorst.

herb

/ɝːb/

(noun) kruid

Voorbeeld:

Fresh herbs like basil and parsley add flavor to the dish.
Verse kruiden zoals basilicum en peterselie voegen smaak toe aan het gerecht.

beet

/biːt/

(noun) biet, rode biet

Voorbeeld:

She added sliced beet to her salad for extra color and nutrients.
Ze voegde gesneden biet toe aan haar salade voor extra kleur en voedingsstoffen.

green pepper

/ˌɡriːn ˈpep.ər/

(noun) groene paprika

Voorbeeld:

She added sliced green pepper to the stir-fry.
Ze voegde gesneden groene paprika toe aan de roerbak.

red pepper

/ˈred ˌpep.ər/

(noun) rode paprika, rode peper

Voorbeeld:

She added sliced red pepper to the salad for extra crunch and color.
Ze voegde gesneden rode paprika toe aan de salade voor extra knapperigheid en kleur.

goat cheese

/ˈɡoʊt tʃiːz/

(noun) geitenkaas

Voorbeeld:

I love salads with crumbled goat cheese.
Ik hou van salades met verkruimelde geitenkaas.

margarine

/ˈmɑːr.dʒɚ.ɪn/

(noun) margarine

Voorbeeld:

I prefer to use margarine instead of butter for baking.
Ik gebruik liever margarine dan boter om te bakken.

sour cream

/ˌsaʊər ˈkriːm/

(noun) zure room

Voorbeeld:

Add a dollop of sour cream to your baked potato.
Voeg een klodder zure room toe aan je gepofte aardappel.

raspberry

/ˈræz.ber.i/

(noun) framboos, scheetgeluid

Voorbeeld:

She made a delicious pie with fresh raspberries.
Ze maakte een heerlijke taart met verse frambozen.

spice

/spaɪs/

(noun) kruid, specerij, pit;

(verb) kruiden, op smaak brengen, opvrolijken

Voorbeeld:

Add a pinch of your favorite spice to the soup.
Voeg een snufje van je favoriete kruid toe aan de soep.

sweet potato

/ˌswiːt pəˈteɪ.toʊ/

(noun) zoete aardappel

Voorbeeld:

Roasted sweet potatoes are a healthy and delicious side dish.
Geroosterde zoete aardappelen zijn een gezond en heerlijk bijgerecht.

zucchini

/zuːˈkiː.ni/

(noun) courgette

Voorbeeld:

She grated the zucchini for the bread.
Ze raspte de courgette voor het brood.

wheat

/wiːt/

(noun) tarwe

Voorbeeld:

Wheat is a staple food for many cultures.
Tarwe is een basisvoedsel voor veel culturen.

beefsteak

/ˈbiːf.steɪk/

(noun) biefstuk

Voorbeeld:

He ordered a large beefsteak with mashed potatoes.
Hij bestelde een grote biefstuk met aardappelpuree.

kebab

/kəˈbɑːb/

(noun) kebab, brochette

Voorbeeld:

We ordered chicken kebabs for dinner.
We bestelden kip kebabs voor het avondeten.

meat loaf

/ˈmiːt loʊf/

(noun) gehaktbrood

Voorbeeld:

My grandmother makes the best meat loaf with a ketchup glaze.
Mijn grootmoeder maakt de beste gehaktbrood met een ketchupglazuur.

mayonnaise

/ˈmeɪ.ə.neɪz/

(noun) mayonaise

Voorbeeld:

Please pass the mayonnaise for my sandwich.
Geef alsjeblieft de mayonaise door voor mijn broodje.

mustard

/ˈmʌs.tɚd/

(noun) mosterd, mosterdplant;

(adjective) mosterdkleurig

Voorbeeld:

Would you like some mustard with your hot dog?
Wilt u wat mosterd bij uw hotdog?

soy sauce

/ˈsɔɪ ˌsɔːs/

(noun) sojasaus

Voorbeeld:

Add a splash of soy sauce to the stir-fry for extra flavor.
Voeg een scheutje sojasaus toe aan de roerbak voor extra smaak.

tomato ketchup

/ˈtəˌmeɪ.t̬oʊ ˈketʃ.ʌp/

(noun) tomatenketchup

Voorbeeld:

He poured tomato ketchup all over his fries.
Hij goot tomatenketchup over al zijn frietjes.

vinegar

/ˈvɪn.ə.ɡɚ/

(noun) azijn

Voorbeeld:

She added a splash of vinegar to the salad dressing.
Ze voegde een scheutje azijn toe aan de saladedressing.

white sauce

/waɪt sɔːs/

(noun) witte saus, bechamelsaus

Voorbeeld:

She prepared a creamy white sauce for the lasagna.
Ze bereidde een romige witte saus voor de lasagne.

chewing gum

/ˈtʃuː.ɪŋ ˌɡʌm/

(noun) kauwgom

Voorbeeld:

Please dispose of your chewing gum properly.
Gooi uw kauwgom alstublieft op de juiste manier weg.

hard candy

/ˌhɑːrd ˈkæn.di/

(noun) hard snoep, zuurtje

Voorbeeld:

She offered me a piece of lemon-flavored hard candy.
Ze bood me een stukje citroen-gearomatiseerde harde snoep aan.

lollipop

/ˈlɑː.li.pɑːp/

(noun) lolly, zuurtje aan een stokje

Voorbeeld:

The child happily licked his cherry-flavored lollipop.
Het kind likte vrolijk aan zijn kersen-smakende lolly.

popsicle

/ˈpɑːp.sɪ.kəl/

(noun) waterijsje, ijsje op een stokje

Voorbeeld:

The child happily licked his cherry-flavored popsicle.
Het kind likte vrolijk aan zijn kersen-waterijsje.

pudding

/ˈpʊd.ɪŋ/

(noun) pudding, hartige pudding

Voorbeeld:

For dessert, we had chocolate pudding.
Als toetje hadden we chocoladepudding.

pizzeria

/ˌpiːt.səˈriː.ə/

(noun) pizzeria, pizzarestaurant

Voorbeeld:

Let's order a pizza from the new pizzeria down the street.
Laten we een pizza bestellen bij de nieuwe pizzeria verderop in de straat.

portion

/ˈpɔːr.ʃən/

(noun) deel, portie, aandeel;

(verb) verdelen, portioneren

Voorbeeld:

He ate a large portion of the cake.
Hij at een grote portie van de taart.

supper

/ˈsʌp.ɚ/

(noun) avondeten, souper

Voorbeeld:

We usually have supper around 7 PM.
We eten meestal avondeten rond 19.00 uur.

takeout

/ˈteɪk.aʊt/

(noun) afhaalmaaltijd, afhaaleten, afhalen;

(adjective) afhaal, meeneem

Voorbeeld:

Let's get some Chinese takeout tonight.
Laten we vanavond wat Chinese afhaalmaaltijden halen.

hunger

/ˈhʌŋ.ɡɚ/

(noun) honger, verlangen, dorst;

(verb) hongeren naar, verlangen naar, honger hebben

Voorbeeld:

He felt a pang of hunger.
Hij voelde een steek van honger.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland