Vocabulaireverzameling A2 - Tijd en Datum in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A2 - Tijd en Datum' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) kalender, kalendersysteem, tijdrekening
Voorbeeld:
(noun) eeuw, eeuw (cricket)
Voorbeeld:
(noun) decennium
Voorbeeld:
(adverb) vandaag, vandaag de dag, tegenwoordig;
(noun) vandaag, vandaag de dag, het heden
Voorbeeld:
(adverb) vanavond;
(noun) vanavond
Voorbeeld:
(adverb) gisteren;
(noun) gisteren
Voorbeeld:
(adverb) morgen;
(noun) morgen
Voorbeeld:
(adjective) voorbij, verleden;
(noun) verleden;
(preposition) voorbij, langs;
(adverb) voorbij
Voorbeeld:
(noun) toekomst, vooruitzichten;
(adjective) toekomstig
Voorbeeld:
(noun) moment, ogenblik, tijdstip
Voorbeeld:
(noun) lunchtijd, lunchpauze
Voorbeeld:
(noun) vakantie, feestdag;
(verb) vakantie vieren, op vakantie gaan
Voorbeeld:
(adjective) lang, langdurig;
(adverb) lang;
(verb) verlangen, smachten
Voorbeeld:
(adjective) kort, tekort, onvoldoende;
(adverb) abrupt, plotseling;
(verb) voorschieten, lenen
Voorbeeld:
(adjective) vroeg, beginnend;
(adverb) vroeg, in het begin
Voorbeeld:
(adjective) laat, te laat, eind-;
(adverb) laat, te laat, tot laat
Voorbeeld:
(adjective) dagelijks;
(adverb) dagelijks, elke dag;
(noun) dagblad, dagelijkse krant
Voorbeeld:
(adjective) wekelijks;
(adverb) wekelijks;
(noun) weekblad
Voorbeeld:
(adjective) maandelijks;
(adverb) maandelijks;
(noun) maandblad, maandelijkse publicatie
Voorbeeld:
(adjective) jaarlijks, elk jaar;
(adverb) jaarlijks, elk jaar
Voorbeeld:
(adverb) onmiddellijk, direct, meteen
Voorbeeld:
(adjective) recent, laatste, jongste
Voorbeeld:
(adverb) onlangs, recentelijk
Voorbeeld:
(adjective) laatste, meest recente;
(adverb) laatst, voor het laatst;
(verb) duren, meegaan, blijven bestaan
Voorbeeld:
(adverb) later, daarna;
(adjective) later, volgend
Voorbeeld:
(preposition) voor, voordat;
(adverb) eerder, voorheen;
(conjunction) voordat
Voorbeeld:
(phrase) op tijd, punctueel
Voorbeeld:
(adverb) plotseling, opeens
Voorbeeld:
(preposition) door, gedurende, tijdens;
(adverb) door, klaar met, afgerond;
(adjective) klaar met, af
Voorbeeld:
(adverb) nog, al, toch;
(conjunction) toch, maar
Voorbeeld:
(abbreviation) a.m., 's ochtends, voor de middag
Voorbeeld:
(abbreviation) 's middags, 's avonds
Voorbeeld:
(preposition) na, achter;
(adverb) daarna, later;
(conjunction) achter, op zoek naar
Voorbeeld:
(adjective) modern, hedendaags, geavanceerd
Voorbeeld:
(verb) passeren, voorbijgaan, slagen;
(noun) voldoende, geslaagd, pas
Voorbeeld: