Avatar of Vocabulary Set A2 - Tijd en Datum

Vocabulaireverzameling A2 - Tijd en Datum in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Tijd en Datum' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

calendar

/ˈkæl.ən.dɚ/

(noun) kalender, kalendersysteem, tijdrekening

Voorbeeld:

I marked the appointment on my calendar.
Ik heb de afspraak op mijn kalender gemarkeerd.

century

/ˈsen.tʃər.i/

(noun) eeuw, eeuw (cricket)

Voorbeeld:

The 20th century saw rapid technological advancements.
De 20e eeuw kende snelle technologische vooruitgang.

decade

/ˈdek.eɪd/

(noun) decennium

Voorbeeld:

The 1990s was a memorable decade for music.
De jaren 90 waren een memorabel decennium voor muziek.

today

/təˈdeɪ/

(adverb) vandaag, vandaag de dag, tegenwoordig;

(noun) vandaag, vandaag de dag, het heden

Voorbeeld:

I have a lot of work to do today.
Ik heb veel werk te doen vandaag.

tonight

/təˈnaɪt/

(adverb) vanavond;

(noun) vanavond

Voorbeeld:

I'm going to the concert tonight.
Ik ga vanavond naar het concert.

yesterday

/ˈjes.tɚ.deɪ/

(adverb) gisteren;

(noun) gisteren

Voorbeeld:

I saw her yesterday at the market.
Ik zag haar gisteren op de markt.

tomorrow

/təˈmɔːr.oʊ/

(adverb) morgen;

(noun) morgen

Voorbeeld:

I will see you tomorrow.
Ik zie je morgen.

past

/pæst/

(adjective) voorbij, verleden;

(noun) verleden;

(preposition) voorbij, langs;

(adverb) voorbij

Voorbeeld:

In past years, we used to visit this beach every summer.
In voorbije jaren bezochten we dit strand elke zomer.

future

/ˈfjuː.tʃɚ/

(noun) toekomst, vooruitzichten;

(adjective) toekomstig

Voorbeeld:

We need to plan for the future.
We moeten plannen voor de toekomst.

moment

/ˈmoʊ.mənt/

(noun) moment, ogenblik, tijdstip

Voorbeeld:

I'll be with you in a moment.
Ik ben zo bij je.

lunchtime

/ˈlʌntʃ.taɪm/

(noun) lunchtijd, lunchpauze

Voorbeeld:

I'll meet you at lunchtime.
Ik ontmoet je tijdens de lunchpauze.

holiday

/ˈhɑː.lə.deɪ/

(noun) vakantie, feestdag;

(verb) vakantie vieren, op vakantie gaan

Voorbeeld:

We're going on holiday to Spain next month.
We gaan volgende maand op vakantie naar Spanje.

long

/lɑːŋ/

(adjective) lang, langdurig;

(adverb) lang;

(verb) verlangen, smachten

Voorbeeld:

The river is very long.
De rivier is erg lang.

short

/ʃɔːrt/

(adjective) kort, tekort, onvoldoende;

(adverb) abrupt, plotseling;

(verb) voorschieten, lenen

Voorbeeld:

She has short hair.
Ze heeft kort haar.

early

/ˈɝː.li/

(adjective) vroeg, beginnend;

(adverb) vroeg, in het begin

Voorbeeld:

She arrived early for the meeting.
Ze kwam vroeg aan voor de vergadering.

late

/leɪt/

(adjective) laat, te laat, eind-;

(adverb) laat, te laat, tot laat

Voorbeeld:

She was late for her appointment.
Ze was te laat voor haar afspraak.

daily

/ˈdeɪ.li/

(adjective) dagelijks;

(adverb) dagelijks, elke dag;

(noun) dagblad, dagelijkse krant

Voorbeeld:

She reads the daily newspaper.
Ze leest de dagelijkse krant.

weekly

/ˈwiː.kli/

(adjective) wekelijks;

(adverb) wekelijks;

(noun) weekblad

Voorbeeld:

The newspaper is published weekly.
De krant wordt wekelijks gepubliceerd.

monthly

/ˈmʌn.θli/

(adjective) maandelijks;

(adverb) maandelijks;

(noun) maandblad, maandelijkse publicatie

Voorbeeld:

The company holds monthly meetings.
Het bedrijf houdt maandelijkse vergaderingen.

yearly

/ˈjɪr.li/

(adjective) jaarlijks, elk jaar;

(adverb) jaarlijks, elk jaar

Voorbeeld:

The company holds a yearly meeting for all employees.
Het bedrijf houdt een jaarlijkse vergadering voor alle werknemers.

immediately

/ɪˈmiː.di.ət.li/

(adverb) onmiddellijk, direct, meteen

Voorbeeld:

Please respond immediately.
Gelieve onmiddellijk te reageren.

recent

/ˈriː.sənt/

(adjective) recent, laatste, jongste

Voorbeeld:

I read a recent article about climate change.
Ik las een recent artikel over klimaatverandering.

recently

/ˈriː.sənt.li/

(adverb) onlangs, recentelijk

Voorbeeld:

I recently visited my grandparents.
Ik heb mijn grootouders onlangs bezocht.

last

/læst/

(adjective) laatste, meest recente;

(adverb) laatst, voor het laatst;

(verb) duren, meegaan, blijven bestaan

Voorbeeld:

This is your last chance.
Dit is je laatste kans.

later

/ˈleɪ.t̬ɚ/

(adverb) later, daarna;

(adjective) later, volgend

Voorbeeld:

I'll call you later.
Ik bel je later.

before

/bɪˈfɔːr/

(preposition) voor, voordat;

(adverb) eerder, voorheen;

(conjunction) voordat

Voorbeeld:

Always wash your hands before eating.
Was altijd je handen voordat je eet.

on time

/ɑːn taɪm/

(phrase) op tijd, punctueel

Voorbeeld:

The train arrived on time.
De trein arriveerde op tijd.

suddenly

/ˈsʌd.ən.li/

(adverb) plotseling, opeens

Voorbeeld:

The lights went out suddenly.
De lichten gingen plotseling uit.

through

/θruː/

(preposition) door, gedurende, tijdens;

(adverb) door, klaar met, afgerond;

(adjective) klaar met, af

Voorbeeld:

The train passed through the tunnel.
De trein reed door de tunnel.

yet

/jet/

(adverb) nog, al, toch;

(conjunction) toch, maar

Voorbeeld:

He hasn't arrived yet.
Hij is nog niet aangekomen.

a.m.

/ˌeɪˈem/

(abbreviation) a.m., 's ochtends, voor de middag

Voorbeeld:

The meeting is scheduled for 9 a.m.
De vergadering staat gepland om 9 uur 's ochtends.

p.m.

/piːˈem/

(abbreviation) 's middags, 's avonds

Voorbeeld:

The meeting is scheduled for 3 p.m.
De vergadering staat gepland om 3 uur 's middags.

after

/ˈæf.tɚ/

(preposition) na, achter;

(adverb) daarna, later;

(conjunction) achter, op zoek naar

Voorbeeld:

She arrived after the meeting had started.
Ze arriveerde nadat de vergadering was begonnen.

modern

/ˈmɑː.dɚn/

(adjective) modern, hedendaags, geavanceerd

Voorbeeld:

Modern technology has transformed our lives.
Moderne technologie heeft ons leven getransformeerd.

pass

/pæs/

(verb) passeren, voorbijgaan, slagen;

(noun) voldoende, geslaagd, pas

Voorbeeld:

A car passed us on the highway.
Een auto passeerde ons op de snelweg.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland