Vocabulaireverzameling A2 - Tegengestelde Bijvoeglijke Naamwoorden 2 in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A2 - Tegengestelde Bijvoeglijke Naamwoorden 2' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) vol, volledig, totaal;
(adverb) vol, precies
Voorbeeld:
(adjective) leeg, zinloos;
(verb) legen, leegmaken
Voorbeeld:
(adjective) noodzakelijk, essentieel, vereist;
(noun) het noodzakelijke, het nodige
Voorbeeld:
(adjective) onnodig, overbodig
Voorbeeld:
(adjective) eenvoudig, simpel, sober;
(noun) eenvoudig, nederig
Voorbeeld:
(adjective) hard, stevig, moeilijk;
(adverb) hard, intens, moeilijk
Voorbeeld:
(noun) maximum, hoogste;
(adjective) maximaal, hoogst
Voorbeeld:
(noun) minimum, het minste;
(adjective) minimaal, geringst
Voorbeeld:
(adverb) dichtbij, nabij;
(preposition) nabij, dichtbij;
(adjective) nabij, dichtbij;
(verb) naderen, dichterbij komen
Voorbeeld:
(adverb) ver, veel, erg;
(adjective) ver
Voorbeeld:
(adjective) veelvoorkomend, algemeen, gewoon;
(noun) het gewone volk, de massa, meent
Voorbeeld:
(adjective) ongewoon, zeldzaam
Voorbeeld:
(adjective) druk, bezig, bezet;
(verb) bezig houden, occuperen
Voorbeeld:
(adjective) vrij, onafhankelijk, gratis;
(verb) bevrijden, vrijlaten;
(adverb) gratis, kosteloos
Voorbeeld:
(adjective) lui, traag, rustig
Voorbeeld:
(adjective) hardwerkend, ijverig
Voorbeeld:
(adjective) ontspannend, rustgevend
Voorbeeld:
(adjective) stressvol, spannend
Voorbeeld:
(adjective) stom, spraakloos, dom;
(verb) vereenvoudigen, versimpelen
Voorbeeld:
(adjective) slim, knap, handig
Voorbeeld:
(adjective) comfortabel, gemakkelijk, op zijn gemak
Voorbeeld:
(adjective) oncomfortabel, onbehaaglijk, ongemakkelijk
Voorbeeld:
(adjective) direct, rechtstreeks, onmiddellijk;
(verb) leiden, besturen, dirigeren;
(adverb) direct, rechtstreeks
Voorbeeld:
(adjective) indirect, omweg
Voorbeeld:
(adjective) speciaal, bijzonder, bestemd;
(noun) special, speciale uitzending, dagschotel
Voorbeeld:
(adjective) gewoon, alledaags;
(noun) het gewone, het alledaagse
Voorbeeld:
(adjective) beroemd, bekend
Voorbeeld:
(adjective) onbekend;
(noun) onbekende, onbekend iets
Voorbeeld:
(adjective) diep, intens, laag;
(adverb) diep
Voorbeeld:
(adjective) ondiep, oppervlakkig;
(verb) ondieper maken, verondiepen
Voorbeeld: