Avatar of Vocabulary Set A2 - Noodzakelijke Werkwoorden 3

Vocabulaireverzameling A2 - Noodzakelijke Werkwoorden 3 in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Noodzakelijke Werkwoorden 3' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

raise

/reɪz/

(verb) optillen, verhogen, vergroten;

(noun) salarisverhoging, loonsverhoging

Voorbeeld:

She raised her hand to ask a question.
Ze stak haar hand op om een vraag te stellen.

react

/riˈækt/

(verb) reageren, chemisch reageren

Voorbeeld:

How did he react to the news?
Hoe reageerde hij op het nieuws?

realize

/ˈriː.ə.laɪz/

(verb) zich realiseren, beseffen, realiseren

Voorbeeld:

She suddenly realized that she had left her phone at home.
Ze realiseerde zich plotseling dat ze haar telefoon thuis had laten liggen.

recognize

/ˈrek.əɡ.naɪz/

(verb) herkennen, erkennen, inzien

Voorbeeld:

I didn't recognize her at first with her new haircut.
Ik herkende haar eerst niet met haar nieuwe kapsel.

recommend

/ˌrek.əˈmend/

(verb) aanbevelen, adviseren

Voorbeeld:

I can highly recommend this book.
Ik kan dit boek ten zeerste aanbevelen.

record

/rɪˈkɔːrd/

(noun) plaat, grammofoonplaat, record;

(verb) opnemen, vastleggen, registreren

Voorbeeld:

She put on an old jazz record.
Ze zette een oude jazzplaat op.

refer

/rɪˈfɝː/

(verb) verwijzen naar, aanduiden, doorverwijzen

Voorbeeld:

He often refers to his childhood memories.
Hij verwijst vaak naar zijn jeugdherinneringen.

remove

/rɪˈmuːv/

(verb) verwijderen, afnemen, wegnemen

Voorbeeld:

Please remove your shoes before entering the house.
Gelieve uw schoenen te verwijderen voordat u het huis binnengaat.

replace

/rɪˈpleɪs/

(verb) vervangen, in de plaats komen van, terugplaatsen

Voorbeeld:

Computers have replaced typewriters.
Computers hebben typemachines vervangen.

report

/rɪˈpɔːrt/

(noun) rapport, verslag, knal;

(verb) melden, verslag doen, rapporteren aan

Voorbeeld:

The police issued a report on the incident.
De politie heeft een rapport over het incident uitgebracht.

respond

/rɪˈspɑːnd/

(verb) reageren, antwoorden, respons geven

Voorbeeld:

She didn't respond to my question.
Ze reageerde niet op mijn vraag.

ring

/rɪŋ/

(noun) ring, cirkel, bel;

(verb) rinkelen, luiden, bellen

Voorbeeld:

She wore a beautiful diamond ring on her left hand.
Ze droeg een prachtige diamanten ring aan haar linkerhand.

rise

/raɪz/

(verb) rijzen, stijgen, opgaan;

(noun) stijging, opkomst, verhoging

Voorbeeld:

The sun began to rise over the mountains.
De zon begon te rijzen boven de bergen.

sail

/seɪl/

(noun) zeil;

(verb) zeilen, varen, zweven

Voorbeeld:

The ship hoisted its sails and departed.
Het schip hees zijn zeilen en vertrok.

save

/seɪv/

(verb) redden, behouden, sparen;

(noun) redding, behoudenis, besparing

Voorbeeld:

The lifeguard saved the drowning child.
De badmeester redde het verdrinkende kind.

search

/sɝːtʃ/

(verb) zoeken, doorzoeken;

(noun) zoektocht, doorzoeking

Voorbeeld:

I need to search for my lost keys.
Ik moet mijn verloren sleutels zoeken.

seem

/siːm/

(verb) lijken, schijnen, denken

Voorbeeld:

She seems happy today.
Ze lijkt vandaag gelukkig.

shake

/ʃeɪk/

(verb) schudden, trillen, schokken;

(noun) schudden, trilling

Voorbeeld:

He began to shake the bottle to mix the contents.
Hij begon de fles te schudden om de inhoud te mengen.

shout

/ʃaʊt/

(verb) schreeuwen, roepen;

(noun) schreeuw, roep

Voorbeeld:

She had to shout to be heard over the music.
Ze moest schreeuwen om boven de muziek uit te komen.

shut

/ʃʌt/

(verb) sluiten, dichtdoen, opheffen;

(adjective) gesloten, dicht

Voorbeeld:

Please shut the door quietly.
Gelieve de deur zachtjes te sluiten.

sign

/saɪn/

(noun) bord, teken, aanwijzing;

(verb) ondertekenen, tekenen, gebaren

Voorbeeld:

The sign said 'Stop'.
Het bord zei 'Stop'.

ski

/skiː/

(noun) ski;

(verb) skiën

Voorbeeld:

He put on his skis and headed down the slope.
Hij deed zijn ski's aan en ging de helling af.

star

/stɑːr/

(noun) ster, beroemdheid, sterfiguur;

(verb) de hoofdrol spelen, schitteren;

(adjective) uitstekend, uitmuntend

Voorbeeld:

The night sky was filled with twinkling stars.
De nachtelijke hemel was gevuld met fonkelende sterren.

steal

/stiːl/

(verb) stelen, ontvreemden, sluipen;

(noun) diefstal, roof

Voorbeeld:

He tried to steal a car.
Hij probeerde een auto te stelen.

suppose

/səˈpoʊz/

(verb) veronderstellen, aannemen, moeten

Voorbeeld:

I suppose you're right.
Ik veronderstel dat je gelijk hebt.

text

/tekst/

(noun) tekst, geschrift, sms;

(verb) sms'en, een sms sturen

Voorbeeld:

The original text of the novel was much longer.
De originele tekst van de roman was veel langer.

tie

/taɪ/

(noun) das, stropdas, gelijkspel;

(verb) binden, vastmaken, gelijkspelen

Voorbeeld:

He wore a suit and a red tie to the wedding.
Hij droeg een pak en een rode das naar de bruiloft.

train

/treɪn/

(noun) trein, sleep;

(verb) trainen, opleiden, oefenen

Voorbeeld:

The train arrived at the station on time.
De trein arriveerde op tijd op het station.

attend

/əˈtend/

(verb) bijwonen, volgen, zorgen voor

Voorbeeld:

She decided to attend the conference.
Ze besloot de conferentie te bijwonen.

keep

/kiːp/

(verb) houden, behouden, blijven;

(noun) donjon, burcht

Voorbeeld:

You can keep the change.
Je mag het wisselgeld houden.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland